Op 18 april 1988 vierde het museum het Elisabeth Weeshuis, opvolger van de stichting Oudheidkamer voor Culemborg en omstreken, zijn zestigjarig bestaan. In dit artikel wil ik terugkijken op de geschiedenis.

Wapenschild

Peter Schipper

Eerder verschenen in Voetnoot 4

De oprichting

Op 18 april 1928 werd' voor notaris Schouten de oprichtingsakte van de stichting Oudheidkamer voor Culemborg en omstreken getekend. Culemborg was daarmee aan de late kant. Tiel (1901) en Zaltbommel (1905) waren in het westelijk rivierengebied al voorgegaan. Dit betekende echter niet dat men in de Lekstad geen oog had voor historie. Toen in 1913 in heel Nederland de honderdste verjaardag van de bevrijding van de Fransen werd herdacht, hield men ook in Culemborg feesten en een tentoonstelling van oudheidkundig interessante voorwerpen. Het was bij deze gelegenheid dat de Culemborgse hoofdonderwijzer J.B. van den Ham op de uitroep van dokter Versteegh: "Als we dat nu nog eens bij elkaar konden houden", antwoordde: "Eens zal 't wel lukken, 't Zou mij zoo'n groote voldoening zijn".

We hebben intussen de naam laten vallen van de man die na zijn dood de oprichting van de Oudheidkamer mogelijk maakte. Jan Bernardus van den Ham werd op 18 juni 1859 te Culemborg geboren als zoon van landbouwer Arie van den Ham en Christina Cornelia Vermeulen. Na het doorlopen van de lagere school bij meester Laan, ging hij naar de kweekschool in Arnhem. Daar behaalde hij op 6 oktober 1877 zijn diploma. Voor hem begon daarna een zwerftocht langs scholen in Ameide, Zeist, Naarden, Deil en Monster. In 1885 keerde hij als onderwijzer naar zijn vaderstad terug. Van den Ham overleed er op 12 januari 1926. Op de immer vrijgezel gebleven Van den Ham werd door velen een beroep gedaan. We vinden zijn naam dan ook in de notulenboeken van velerlei verenigingen en stichtingen. Actief was hij onder meer in Culemborg en Oranje, dat hij oprichtte, en de gymnastiekvereniging Kracht en Vriendschap, waarvan hij voorzitter was, en verder in de Floralia-vereniging, de Volksbibliotheek van het Nut, de Nederlands Hervormde Zondagschool, de stichting Culemborgse Volkstuintjes, de Gezondheidscommissie voor Culemborg en Omgeving, de vereniging Volksweerbaarheid Culemborg, de Vereniging tot Bestrijding van Schoolverzuim op Openbare Scholen en het Koninklijk Nationaal Steuncomité. In de hem resterende vrije tijd wijdde hij zich aan het verzamelen van boeken, tijdschriften, penningen, gravures en andere documentatie, alles betrekking hebbend op de geschiedenis in het algemeen en Culemborg in het bijzonder. Zijn aantekeningen en eigen kranteartikelen (diverse jaarverslagen en de "Brieven van drie centen") bewaarde hij in enkele tientallen schriften en plakboeken. De door hem nagelaten collectie, waarvan de inventaris bewaard is gebleven, vormde in 1928 het uitgangspunt voor de oprichting van de Oudheidkamer.

De stichtingsakte omschrijft het doel daarvan als volgt: het instandhouden van de collectie Van den Ham en "het geleidelijk in den geest van den overledene uitbreiden dier collecties door het verwerven bij aankoop, ruiling, bruikleen erfstelling, legaat of schenking van op het verleden, de folklore, het grondgebied en de eigenaardigheden der stad Culemborg en omgeving of op hare huidige of vroegere bewoners en regeerende geslachten, het huis van Oranje inbegrepen, betrekking hebbende boeken, tijdschriften en dagbladartikelen, afbeeldingen, wapens, penningen, voorwerpen van dagelijks gebruik, archivalia, fragmenten van gebouwen of welke andere curiosa ook", tevens "het waken zoo mogelijk tegen schending van natuur- of bouwkundig schoon en bij uitzondering het verleenen van steun tot het in stand houden van merkwaardige gebouwen, situaties of gebruiken".

Deze doelstellingen weken niet zoveel af van die welke de stichting Vrouwe Elisabeth thans beoogt. Alleen het waken over natuurschoon wordt nu aan de Natuur- en Vogelwacht, het verzamelen van archivalia aan het stadsarchief overgelaten.

Het bestuur

De stichting werd bestuurd door een college van maximaal twaalf bestuurders, van wie één der protectoren van het toen nog volledig functionerende Elisabeth Weeshuis volgens de statuten de voorzittersstoel moest bezetten. Ook de burgemeester en de gemeentesecretaris maakten statutair deel uit van het bestuur. Het eerste bestuur bestond uit de volgende personen: Cornelis Laan, president protector en <

Voor de lopende zaken voorzag de stichtingsakte in een "Kleine Commissie", ofwel een dagelijks bestuur. Dit bestond uit de voorzitter, de secretaris en de penningmeester. Het bestuur moest minstens één keer per jaar, in januari, voltallig vergaderen. Curieus is de bepaling dat de voorzitter na afloop van de vergadering met de medebestuurders een rondgang langs de geëxposeerde objecten moest maken om over de toestand daarvan te discussiëren. In de notulen van 1930 vinden we deze rondgang aldus beschreven: men kijkt wat rond "en gaat over in de vorming van eenige geanimeerd pratende en rondkijkende groepen, die bij de nadering van bitter- en etenstijd, geleidelijk zich oplossen. Nadat de hoezen over de vitrines zijn getrokken, de archiefkast gesloten en het licht gedoofd, verlaat de secretaris als laatste het terrein van werkzaamheid". Het bestuur vergaderde in de protectorenkamer van het weeshuis. De sfeer was daar doorgaans gemoedelijk. Een sfeerbeeld uit de notulen van 23 juli 1930: "Terwijl buiten de uit hun seizoen geraakte najaarsvlagen bulderen en felle regen tegen de ruiten striemt, opent bij een lustig brandend haardvuur, dat den rug van het voorzitterlijke gestoelte, zoowel als dien van deszelfs ingezetene, aangenaam koestert, de heer Laan, als president de vergadering". Een enkele keer stond men evenwel wat scherper tegenover elkaar, zoals in 1928 toen in Hagestein bij boer Giel van den Boogaard een pot met munten gevonden was. De Oudheidkamer had belangstel-ling. Secretaris Sillevis had daarom een expert ingeschakeld om de waarde vast te stellen. De heer Laan vond dit "wel heel hulpvaardig, maar weinig kaufmannisch". Hij meende namelijk: "Men moet den boer dom laten en er gauw goed-koop een paar inpikken". Sillevis was het met deze redenering totaal oneens. Hij vond dat de Oudheidkamer een adres moest zijn "waar men in vertrouwen heengaat". In een brief van hem uit 1932 horen we de echo van het voorval uit 1928, wanneer hij over Laan schrijft: Welnu, wij kennen hem allebei een beetje, een duiteboer, een koopman, een man van deugden als voorzichtige beheerder, maar aan den kant, dien wij noodig hebben, een nuchtere plat-bij-de-grondsche pingelaar".

Het bestuur bij de opening in 1928: vlnr. Keestra, Schouten, Laan, Klein, Olyslager, De Beus, Sillevis, Prins, Beltjes, Post en Van Beekum

Het bestuur hield zich blijkens de notulen vooral bezig met het financiële beheer, de publiciteit en de eigen samenstelling. Met de besluitvaardigheid uit de beginjaren was het echter na enkele jaren gedaan. Een voorbeeld hiervan vormt het vervaardigen van een portret van de stichter van de Kaapkolonie. Beltjes meende in 1930 dat het een morele plicht was een copie te laten maken van het portret van Jan van Riebeeck, dat in het Rijksmuseum hing. In 1931 moest hij er weer aan herinneren, "op het gevaar af van gehouden te worden voor een maniak, die steeds hetzelfde stokpaard voorrijdt". Ondanks een redelijk gevulde stichtingskas, was de copie in 1935 nog steeds niet vervaardigd. Reden voor Beltjes om er nogmaals op terug te komen. Een enkele keer begaven de bestuursleden zich in de rondvraag weleens op een zijspoor. In de vergadering van 18 februari 1931 vroeg de socialist Otto de Beus, in de notulen "een rechtzinnig Marseist" (vermoedelijk wordt hier bedoeld: Marxist") genoemd, naar aanleiding van een opmerking van de onderwijzer Donkersloot, hoe het kwam dat kinderen uit het Culemborgse arbeidersmilieu zoveel "achterlijker" en "gedeprimeerder" waren dan de boerenkinderen. Secretaris Sillevis antwoordde daarop, dat de oorzaken veeleer gezocht moesten worden in de slechte arbeidsomstandigheden en het alcoholisme dan in de "afstamming van minderwaardig geimmigreerd bloed binnen de z.g. vrijstad".

De eerste jaren brachten slechts weinig veranderingen binnen het bestuur. Dr. Post vertrok in 1931 naar Rome. Hij werd opgevolgd door J.J.H. Wachters. In 1934 maakte J.A. Klein plaats voor H. de Liefde. Na 1935 zakten de bestuurlijke activiteiten in. In zeven jaar werd er niet meer vergaderd. Pas in 1942 kwam het bestuur weer bijeen. Drie bestuursleden waren toen al van het toneel verdwenen. Schouten en Beltjes waren overleden. Olyslager was opgevolgd door de al weer teruggetreden A. Blijenberg. In deze vacatures werd voorzien door de voordracht van pater dr. Roos en de architect Th. Ausems (zie correctie aan het einde van dit artikel). Verder komen we dan voor het eerst de naam tegen van de man die bijna veertig jaar lang een voorname rol zou spelen binnen de Oudheidkamer: Mr. Pieter Beltjes, de latere secretaris-conservator, over wie Otto de Beus enthousiast uitriep: "Wij moeten Piet voor dit baantje hebben!"

De inrichting

Het toezicht op de voorwerpen en de bezoekers werd overgelaten aan de weesvader. Het overige weeshuispersoneel zorgde voor het schoonhouden van de lokalen. Ieder jaar werd de weesvader ter vergadering voor zijn diensten bedankt. Een bus voor giften voor de spaarpot van de wezen vormde de enige vergoeding aan het weeshuis. De openingstijden van het nieuwe museum waren zeer beperkt. Alleen op dinsdagen en op de laatste zondag van de maand konden de kijklustigen er van twee tot vier terecht. Buiten de bezoekuren kon men er alleen terecht met een briefje van het bestuur. Kinderen onder de zestien jaar hadden alleen onder geleide toegang.

De opening

De Oudheidkamer zou oorspronkelijk op 17 december 1928 officieel zijn deuren hebben geopend. Drukker Verschoor kreeg het door Sillevis geschreven museumgidsje echter niet op tijd af. De feestelijkheden kregen daarom pas vier dagen later hun beslag. Voorzitter Laan bedankte bij de opening

De financiën

De entree tot het museum was gratis. Naast een subsidie van de gemeente zocht men inkomsten via giften, donaties, en de verkoop van het gidsje. De bijdrage van de gemeente Culemborg bedroeg aanvankelijk fl. 100 per jaar, steeg daarna tot fl. 300, maar viel in de crisisjaren in 1934 weer terug tot het oude bedrag. Cultuur was en is in tijden van economische slapte nu eenmaal een gewillige prooi. De financiële toestand is dan ook niet altijd zonder zorg geweest. Aanvankelijk slokten de inrichtingskosten de meeste middelen op. In 1930 ontstond er zelfs een tekort van f. 538,26, waarvoor de bestuursleden Sillevis en Schouten zich persoonlijk garant stelden. Twee jaar later had men deze schulden, ondanks door de recessie verminderde donaties, weggewerkt. Het kapitaal groeide in de jaren van geringe activiteit (1935-1942) zelfs aan tot f. 600. De donaties waren in 1942 echter gedaald tot bijna f. 60 per jaar.

De oorlog

Vanzelfsprekend vormden de oorlogsjaren geen periode van bruisende activiteit. De belangrijke schilderijen waren, volgens een brief uit 1941, uit hun lijsten gehaald, opgerold en in kisten in een bankkluis opgeborgen. Het bezoek beliep in 1940 nog maar 274 personen. Buiten het weeshuis stond het werk echter niet stil. Twee activiteiten in de oorlogsjaren (zin ontbreekt in origineel - red.)

foto van het interieur

Hermans was hiervan een groot voorstander. Overleg werd gevoerd met de gemeenten Leerdam, Vianen, Gorkum, Buren, Tiel, Culemborg en Zaltbommel. De laatste drie plaatsen besloten uiteindelijk met elkaar in zee te gaan. In 1977 werd schrijver dezes aangesteld als streekconservator. Zijn eerste opdracht was de herinrichting van het oude museum, dat na de restauratie van het weeshuis, nu onder leiding van architekt H. van der Wielen, in nieuwe vorm naar buiten kon treden. Bij deze restauratie werd het oude weeshuis zoveel mogelijk in de vroegere staat teruggebracht. Het dak, dat na de storm van 1856 was verlaagd, kreeg zijn oorspronkelijke vorm terug. Ook bestuurlijk was er vernieuwing. Juridisch liet men de oude stichting Oudheidkamer slapen. De opgerichte Stichting Vrouwe Elisabeth vormde het kader voor de verdere activiteiten.

Gebruikte bronnen
  • Stichtingsakte Oudheidkamer voor Culemborg e.o., 1928.
  • Notulenboek Oudheidkamer, 1928-1943.
  • Rekeningen Oudheidkamer, 1949-1954.
  • Correspondentie Oudheidkamer, 1928-1932, 1931-1943.
  • L. Sillevis, levensschets van J.B. van den Ham, 1926.
  • Aantekeningen in de collectie van het museum Elisabeth Weeshuis.

Correctie uit Voetnoot 5/6

Hét betreft hier niet architect Th. Ausems maar pater jezuiet Th.W.A. Ausems die in 1953 promoveerde op het proefschrift 'Klank- en vormleer van het dialect van Culemborg'. De architect Th.A. Ausems was de eerste secretaris van het genootschap A.W.K. Voet van Oudheusden, maar zat pas in een latere periode, dus niet al in 1943, in het bestuur van de Oudheidkamer, (red.)