Even ten westen van Culemborg liggen twee verdedigingswerken, die deel hebben uitgemaakt van de voormalige Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het betreft het zogeheten Werk aan het Spoel, dat in eerste aanleg uit 1759 dateert, en het fort Everdingen, gebouwd in de jaren 1842-1849. Met de benaming 'Hollandse Waterlinie' werd eertijds een verdedigingsstelsel aangeduid dat het westen van ons land door middel van inundaties (onderwaterzettingen) en vestingwerken moest behoeden voor een inval door een vijandelijke legermacht.

Hans Lägers [met dank aan: Yvonne Jakobs, Douwe Koen, Ron van Maanen en Jaap de Zee.]

Het water heeft in Nederland van oudsher een belangrijke rol gespeeld bij de verdediging. Reeds in de middeleeuwen werden steden en kastelen beschermd door een of meerdere grachten. Dat deze grachten dikwijls een moeilijk te nemen barrière vormden, ondervond ook de hertog van Alva aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog. In een brief aan de Spaanse koning Filips II schreef de landvoogd onder meer: 'Om alle oorden, ja zelfs het allerellendigste gat, ligt een greppel vol water, waar eerst een brug over moet worden gebouwd voor men kan oversteken'. Uit de Tachtigjarige Oorlog dateren tevens de eerste inundaties op grotere schaal. Wellicht het bekendste voorbeeld is de belegering van Leiden in 1574, waarbij deze stad uiteindelijk werd gered door de inundatie van het omliggende platteland.

Gedurende de eerste decennia van de Tachtigjarige Oorlog bepaalde de verdediging zich nog hoofdzakelijk tot het versterken van steden die bestuurlijk, economisch en/of militair van belang waren. In de loop van de zeventiende eeuw verschoof het accent echter steeds meer naar de aanleg van verdedigingslinies, die grotere gebieden tegen een inval konden beschermen.

De eerste waterlinies

In 1629 viel een vijandelijk leger onder bevel van graaf Montecuccoli de Veluwe binnen en nam vervolgens de stad Amersfoort in. Op aandringen van stadhouder Frederik Hendrik werd nu in aller ijl een verdedigingslijn ingericht langs de Vaartse Rijn en de Vecht 'tot defentie van het Neder-Sticht ende Hollandt'. Deze zogenoemde Utrechtse Linie werd versterkt met inundaties en een aantal inderhaast opgeworpen fortificaties. Frederik Hendrik had ook reeds plannen ontwikkeld voor een tweede linie langs de lijn Schoonhoven-Oudewater-Woerden-Nieuwersluis, een Hollandse Waterlinie, die zou moeten aansluiten op de Utrechtse Linie. De deugdelijkheid van deze Utrechtse linie werd overigens niet op de proef gesteld: door de verovering van de Duitse stad Wezel door Nederlandse troepen dreigde Montecuccoli van zijn thuisbasis te worden afgesneden, zodat hij snel moest terugtrekken. In april 1672 verklaarden Frankrijk en Engeland de Nederlandse Republiek de oorlog, en nog in diezelfde maand zette een groot Frans leger van 150.000 man zich in beweging. Nadat de Franse troepen onder persoonlijk toezicht van koning Lodewijk XIV op 12 juni bij Lobith de Betuwe waren binnengevallen, maakte een snel aangelegde schipbrug nabij Arnhem ook een opmars in de richting Utrecht mogelijk. Besprekingen tussen de Staten van Holland en die van Utrecht om te komen tot een gemeenschappelijke verdedigingslinie, leverden evenwel geen resultaat op. De provincie Holland besloot nu op eigen houtje een provisorische waterlinie langs haar oostgrens aan te leggen. Deze Hollandse Waterlinie strekte zich uit van Muiden via Woerden en Gorinchem tot Heusden, en bleek uiteindelijk sterk genoeg om een verdere opmars van de Fransen tot staan zou brengen. De stad Utrecht bleef ten oosten van de linie echter vrijwel onbeschermd en viel dan ook prompt in Franse handen. In 1673 keerde het tij. Stadhouder Willem III kon met steun van bondgenoten in de tegenaanval gaan en in het najaar waren de Fransen genoodzaakt het Nederlandse grondgebied te ontruimen. De werking van de Hollandse Waterlinie bleek niet alleen zeer doeltreffend, maar was bovendien verbluffend van eenvoud. Bij de nadering van de vijand werden op een aantal plaatsen dijken doorgestoken en sluizen geopend, waardoor een reeks van aaneensluitende polders onder water kwam te staan. Doorgaans reikte de inundatie niet verder dan ca. 50 centimeter diep, te weinig om het water met behulp van boten over te steken. Waden ging evenmin, want dit werd praktisch onmogelijk gemaakt door de talloze, nu onzichtbare sloten. De indringers waren derhalve genoodzaakt zich te verplaatsen over de dijken en langs de hoger gelegen, niet inundeerbare terreinstroken, waar zij een gemakkelijk doelwit voor de verdedigers vormden. Bovendien waren op de meest kwetsbare punten in de linie versterkingen aangelegd, terwijl de toegangen via vaarten en kanalen werden bewaakt door zogeheten uitleggers: platboomde vaartuigen waarop een of meerdere stukken geschut waren geplaatst. Ondanks de vele voordelen die een inundatie bood aan de verdedigers, bestonden er echter ook enige nadelen. Niet alleen vergde het onderwaterzetten - naar gelang de grootte van het te inunderen gebied - de nodige tijd, maar ook was men bij de inlaatpunten afhankelijk van het peil van het buitenwater. Zo werd op 19 juni 1672 de Noorder Lekdijk doorgestoken nabij Willige Langerak, waardoor de Lopikerwaard grotendeels onder water moest komen te staan. Het water in de Lek stond echter zo laag dat de inundatie van de waard niet erg wilde vlotten. Gelukkig stak er op 18 juli een hevige zuid-westerstorm op, die enkele dagen aanhield. Deze storm stuwde het water in de Lek voldoende op om de inundatie net op tijd voor de naderende Franse troepen te voltooien. Een onderwaterzetting bracht bovendien altijd schade toe aan de landerijen. Vooral landeigenaren en boeren wilden de militaire autoriteiten om die reden nog wel eens dwars zitten. Zo kwam het herhaaldelijk voor dat een geïnundeerd gebied door hen werd afgetapt, met als gevolg dat dit na korte tijd weer droog stond. Ook kon het water in een strenge winter bevriezen, waardoor het geïnundeerde terrein goed begaanbaar werd voor de aanvallers. Dit laatste gebeurde in 1794, toen een Frans leger onder bevel van generaal Pichegru een inval deed in Staats-Vlaanderen en Staats-Brabant. De verdediging van Brabant steunde hoofdzakelijk op de vestingen Bergen op Zoom, Breda en 's-Hertogenbosch met de daartussen gelegen inundaties, de zogeheten Zuider Waterlinie. Ook waren er inundaties gesteld in het zuidelijke deel van de Hollandse Waterlinie, met name in de Neder-Betuwe ten oosten van de Diefdijk, in het westen van de Tieler- en Bommelerwaard en in een gebied rond Woudrichem. Achter deze linie werd nog een tweede, van Nieuwpoort tot Gorinchem, achter de hand gehouden. Medio december viel echter een strenge vorst in, waardoor de inundaties bevroren raakten en de Fransen vrijwel geheel Brabant konden overmeesteren. In januari 1795 trok Pichegru over de eveneens bevroren grote rivieren Utrecht en Holland binnen, waarna de overige provincies in korte tijd konden worden bezet.

Het Spoel

De benaming 'Het Spoel' duikt reeds op aan het begin van de achttiende eeuw. Op deze plaats, gelegen op een tweetal kilometer ten westen van Culemborg, kwam in die jaren een waterstaatkundige aanleg tot stand die een einde moest maken aan de destijds veelvuldig terugkerende wateroverlast in het Culemborgse Veld. De geschiedschrijver Voet van Oudheusden vermeldt in zijn 'Historische Beschryvinge van Culemborg' uit 1753 over deze aanleg het navolgende: 'In den Jaere 1701 is door eenige uit de Regeeringe een Werk doorgedrongen, dat het Graefschap [Culemborg] nog heugt. Vermits de Wael en Merwe, en by gevolg ook de Linge, wegens het verstoppen en verzanden van den rechter arm van den Rhyn by Schenckeschans', altoos zeer hoog en vol waters waren, in zoo verre, dat de Molens, aen de Vliet en den Horn geplaetst, het Binnewater tot die hoogte niet konden opmaelen, zoo dat het Broek of de laege Landen gemeenlyk onder water stonden, en de Rivier de Lek zoo laeg, dat dezelve niet meer vaerbaer was, wierd goed gevonden de Waterlosing op dezelve te maeken. Men verkoos daer toe de Plaets genaemt het Spoel, omme aldaer een Sluis in den Lekdyk te leggen, en de Molens op te richten. (...) Men groef een wyde Molevliet, bezette die met hooge Kaden, men groefden Dyk door, en bouwde een zwaere Steene Sluis. De Molens, die op de Vliet hadden gemaelen, wierden hier gebragt en geplaetst. Men bouwde voor en agter Molens, en men was met deeze nieuwe Waterlosinge zeer in de schik.'

Het succes van deze uitwateringssluis was overigens slechts van korte duur. In 1707 brak de Waaldijk door bij Pannerden, waardoor het Pannerdens Kanaal ontstond en de Nederrijn en de Gelderse IJssel meer water gingen afvoeren. Hiermee steeg ook het peil in de Lek, als gevolg waarvan de sluis bij het Spoel het overtollige water niet langer kon lozen. 'Daer stonden doe de Molens stil en konden niet maelen, het laege Land was gestadig onder water, zoo dat men eindelyk is gedwongen de Molens weer op derzelver oude standplaets te brengen, om weer op de oude Vliet te maelen, en het Water door den Horn in de Linge, als van ouds, te lossen.'

In de oorlogswinter 1794-1795 heeft het Spoel een belangrijke rol gespeeld bij het in werking stellen van de Hollandse Waterlinie. In het begin van oktober 1794 kwam stadhouder Willem V naar Culemborg, vergezeld van de inspecteur van de Hollandse fortificatiën De Bock, die een plan had gemaakt om de Zuider Lekdijk bij het Spoel door te graven. Doel van de te maken 'coupure' was het stellen van inundaties tussen de Lek en de Linge, ten einde een Franse aanval op de provincie Holland te bemoeilijken. De voor dit werk benodigde arbeidskrachten dienden te worden geleverd door de stad Culemborg. Nadat Willem V - tevens graaf van Culemborg - een schadevergoeding in het vooruitzicht had gesteld, werd op maaiveldhoogte een coupure in de dijk gegraven met een lengte van zes Rijnlandse roeden (ca. 23 meter). Op 6 november kon de Culemborgse stadswerkmeester Van Soelen rapporteren dat er water door de coupure naar binnen stroomde. Om te verhinderen dat de Fransen de inundatie-inlaat weer zouden dichten, werd aan de westzijde van de coupure tevens een artillerie-opstelling ingericht. Deze batterij, welke was omgeven door een aarden wal, werd voorzien van tien vuurmonden en kreeg bovendien een zeer sterke bezetting. In december 1794 waren in het Spoel en in het nabij gelegen dorp Everdingen enkele detachementen cavalerie gelegerd, alsmede het eerste bataljon Oranje-Nassau, bestaande uit 335 militairen. Bij deze 'post' aan het Spoel moet in januari 1795 ook daadwerkelijk strijd zijn geleverd. Uit een aantekening in een register van de pastoor van de rooms-katholieke gemeente Everdingen blijkt namelijk dat daar soldaten zijn begraven die waren gesneuveld bij de verdediging van de batterij. Nadat kort tevoren de laatste Engelse hulptroepen2 Culemborg via de Lekpoort hadden verlaten, trok op 12 januari 1795 de voorhoede van het Franse leger door de Zandpoort de stad binnen. Een van de eerste maatregelen van de nieuwe machthebbers betrof de volledige ontmanteling van de batterij aan het Spoel. De achtergebleven kanonnen en munitie werden overgebracht naar de Culemborgse geweerfabriek en aldaar in verzekerde bewaring gesteld. De palen die voor de versterking waren gebruikt, alsmede het rijswerk en de schanskorven3, werden benut voor het dichten van de coupure in de Lekdijk. Mede als gevolg van de aanhoudende vorst konden deze laatste werkzaamheden overigens pas in april 1795 worden voltooid4.

De Nieuwe Hollandse Waterlinie

Tijdens de periode van Franse overheersing (1795-1813) werden de grondslagen gelegd voor een meer oostwaarts gelegen Hollandse Waterlinie, waarbinnen nu ook de stad Utrecht zou komen te liggen. Het initiatief hiertoe werd genomen door niemand minder dan keizer Napoleon. Deze zag zich namelijk voor het probleem gesteld hoe de natuurlijke verdedigingslinie van het toenmalige Franse keizerrijk, welke werd gevormd door de Rijn, verder naar het noorden moest worden doorgetrokken. Napoleon gaf uiteindelijk de voorkeur aan een met inundaties beveiligde defensielijn van Gorinchem tot Naarden. Met de nadere uitwerking van deze linie werd een commissie belast die onder leiding stond van de toenmalige minister van Oorlog C.R.T. Krayenhoff. Als gevolg van de ineenstorting van het Franse keizerrijk konden Krayenhoff's plannen echter niet worden verwezenlijkt. Op voorstel van Krayenhoff - inmiddels onder koning Willem I benoemd tot Inspecteur-Generaal der Fortificatiën - werd in 1815 alsnog een begin gemaakt met de aanleg van de nieuwe verdedigingslinie. Deze linie stond aanvankelijk bekend als de Utrechtse Linie, maar werd in later jaren aangeduid als de Nieuwe Hollandse Waterlinie, ter onderscheiding van de meer westelijk gelegen (Oude) Hollandse Waterlinie. Evenals deze laatste, steunde de Nieuwe Hollandse Waterlinie op uitgebreide inundaties, waarbij forten en batterijen de niet inundeerbare terreinstroken (de zogenoemde accessen), de inlaatpunten en de waterkeringen moesten beschermen.

De belangrijkste bouwactiviteiten ten behoeve van de Nieuwe Hollandse Waterlinie vonden plaats in de perioden 1815-1825,1840-1860, 1867-1870 en 1874-1880. Gedurende de eerste periode concentreerde de aandacht zich op de aanleg van een fortenstelsel ten oosten van de stad Utrecht, alsmede op de bouw van een aantal inundatiesluizen. Deze sluizen moesten, in tegenstelling tot de tot dan toe gebruikelijke dijkcoupures, een betere beheersing van het binnenstromende water mogelijk maken. Daartoe werd het tussen de Lek en de Waal gelegen gebied onderverdeeld in een tweetal 'kommen'. De noordelijke kom tussen de Lek en de Linge kon onder water worden gezet door middel van een waaiersluis bij het Spoel, terwijl het land tussen de Linge en de Waal zou worden geïnundeerd via een sluis bij Dalem. Beide kommen konden tevens worden gevuld met water uit de Linge, binnengelaten via twee waaiersluizen bij Asperen. Het bijzondere van dergelijke waaiersluizen - een uitvinding van de toenmalige Inspecteur-Generaal van de Waterstaat Jan Blanken Jzn - was gelegen in het feit dat de sluisdeuren ook tegen hoog water in konden worden geopend of gesloten. Deze drie waaiersluizen bij Asperen en het Spoel kwamen gereed in 1815. In ditzelfde jaar verrees ter dekking van de inundatie-inlaat bij het Spoel, ongeveer ter plaatse van de in 1795 geslechte redoute, opnieuw een aarden verdedigingswerk. De grond waarop dit zogenoemde Werk aan het Spoel was gelegen, kwam onder het beheer van de Eerst-aanwezend Ingenieur5 te Gorinchem. Reeds in 1818 werd de versterking echter aan het Domein overgegeven, onder voorwaarde dat het 'materieel beheer' aan het Departement van Oorlog bleef en dat de aardwerken onder profiel dienden te worden gehouden. Met deze laatste bepaling werd kennelijk al spoedig de hand gelicht, want in 1835 bleken de buitenglooiingen door overstroming te zijn afgeslagen; ook werden de binnenzijden van de wallen benut voor het weggraven van aarde. Voorts waren de grachten volgeslibd en beplant, en waren delen van de buitendijkse gracht door aangrenzende eigenaren afgeheind en in gebruik genomen. In 1848 nam de Eerst-aanwezend Ingenieur de gronden van het 'Werk aan het Spoel' weer van het bestuur der Domeinen over. Hierna is de versterking hersteld en verbeterd, terwijl tevens de grenzen met de omliggende eigenaren opnieuw werden vastgesteld. Een van deze eigenaars weigerde overigens mee te werken, met het argument dat zijn gronden in 1794 zonder betaling zouden zijn onteigend.

Het fort Everdingen

In de periode 1825-1840 werd weinig gedaan aan de uitbouw van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Gedurende de eerste vijfjaren ging de aandacht van het Departement van Oorlog voornamelijk uit naar de aanleg van verdedigingswerken in de Zuidelijke Nederlanden. De verwikkelingen rond de in 1830 uitgebroken Belgische Opstand zorgden voor een verdere vertraging. De Tiendaagse Veldtocht (2-12 augustus 1831) was weliswaar een geslaagde expeditie, maar leidde tevens tot een militaire interventie van Frankrijk en Engeland. In ons land bereidde men zich op het ergste voor: om de Belgen en hun eventuele helpers de doorgang te beletten, werden zelfs de zuidelijke waterlinies weer in werking gesteld. Als gevolg hiervan hebben grote delen van Zeeland, Noord-Brabant en Limburg gedurende een reeks van jaren blank gestaan. Pas na de erkenning van de Belgische onafhankelijkheid in 1839 kwam de Nieuwe Hollandse Waterlinie opnieuw in de belangstelling. De hierop volgende periode 1840-1860 zou men kunnen bestempelen als de periode van de torenforten. Gebleken was namelijk dat de aarden wallen van de bestaande verdedigingswerken onvoldoende bescherming boden tegen een vijand die deze door middel van een massale bestorming zou trachten te overmeesteren. Ook bestond er behoefte aan een betere legering van de manschappen bij een langdurige bezetting en een veilige berging van munitie, wapens en uitrusting. Ten einde hierin te kunnen voorzien, ging men na 1840 over tot de bouw van 'bomvrije' wachtgebouwen. Dit waren in de grotere forten doorgaans gemetselde ronde torens met een doorsnede van 30 tot 40 meter en anderhalf tot twee meter dikke muren. Deze torens bestonden uit meerdere verdiepingen, waarvan de bovenste uitstak boven de omwalling van het fort of de te beschermen rivierdijk. Hierdoor was het mogelijk het omliggende terrein goed te overzien en door middel van geschut dat op het dak kon worden geplaatst, zo nodig onder vuur te nemen. Vooral dit laatste vormde bij bochtige dijken vaak een groot probleem. Als eerste werd in de jaren 1841-1848 aan de Noorder Lekdijk bij Tull en 't Waal het torenfort Honswijk gebouwd. In 1842 werd een begin gemaakt met de aanleg van het fort Everdingen, gelegen op de kruising van de Zuider Lekdijk en de Diefdijk. Nadat het fort in 1845 was opgeleverd als een aarden verdedigingswerk, werd het in de jaren 1845-1849 voorzien van een ronde bomvrije toren, met een doorsnede van 41 meter en anderhalf tot twee meter dikke gemetselde muren. Deze toren bestond uit een kelderverdieping, welke gedeeltelijk was voorzien van geweerschietgaten, een gelijkvloerse etage met houwitser- en geweerschietgaten en een eerste verdieping met kanon- en geweerschietgaten. Op het dak bevond zich een aardenbatterij met een vuurhoogte van 16,1 meter + NAP. Het metselwerk van de torenwanden reikte tot 14,9 meter + NAP en was over een hoogte van circa 4 meter zichtbaar uit het voorterrein. Aanvankelijk lag rond de toren ook nog een smalle gracht met ophaalbrug. De voornaamste taak van de forten Everdingen en Honswijk bestond uit het afsluiten van de Lek en de langs deze rivier gelegen dijken en uiterwaarden.

Verboden kringen

Ten einde een beter uitzicht en een vrij schootsveld te verkrijgen, werd in 1853 de Kringenwet ingevoerd, 'houdende bepalingen betrekkelijk het bouwen, planten en het maken van andere werken binnen zekeren afstand van Vestingwerken van den Staat'. Op grond van deze wet waren voortaan rond alle belangrijke forten zogeheten 'verboden' kringen van kracht. Rondom ieder vestingwerk lagen drie kringen, namelijk een op 300, een op 600 en een op 1000 meter, waarbinnen zeer strenge bouwvoorschriften golden. Binnen de kleinste kring mocht uitsluitend in hout worden gebouwd In de tweede kring was het toegestaan 'gebouwen en getimmerten te plaatsen, waarvan de dekking naar verkiezing kan worden gemaakt, en welke gebouwen en getimmerten van stenen voeten met hooger dan vijf palm [dat is 50 centimeter] boven den beganen grond, en van gemetselde stookplaatsen en schoorstenen zullen mogen voorzien zijn, maar voor het overige uit verbrandbare stoffen zijn samengesteld'. In de buitenste kring waren in principe alle bouwmaterialen geoorloofd, maar in geval van oorlog of mobilisatie konden op last van de militaire bevelhebber alle aanwezige gebouwen, bomen en andere obstakels zonder enige vorm van proces worden opgeruimd. Een houten boerderij aan de Goilberdingerdijk 39, even ten oosten van het 'Werk aan het Spoel', vormt nog een herinnering aan deze Kringenwet. Dit boerderijtje verkeert thans in een zeer bouwvallige staat, maar zal naar verluidt binnen afzienbare tijd worden gerestaureerd.

Militaire ontwikkelingen in de 19de eeuw

De invoering van het zogeheten 'getrokken' geschut omstreeks 1860 maakte alle nieuwe en verbeterde forten echter op slag weer verouderd. Vanaf die tijd werden kanonslopen namelijk voorzien van een spiraalvormig profiel, dat de kogels een roterende beweging gaf. Als gevolg hiervan kregen deze een grotere kracht, een stabielere baan en daarmee een betere trefkans. Met behulp van dit geschut konden projectielen nu over een tweemaal zo grote afstand als voorheen worden afgevuurd. Samen met de invoering van de puntgranaat met springlading was de uitwerking dermate groot dat het weerstandsvermogen van de toenmalige verdedigingswerken sterk verminderde. Met name de hoog boven het landschap uitrijzende torenforten met hun als bomvrij gekwalificeerde metselwerk konden door het getrokken geschut vrij eenvoudig worden kapotgeschoten. De toegenomen dracht van de projectielen had onder meer tot gevolg dat een in de frontlijn liggende stad als Utrecht voortaan op grotere afstand moest worden verdedigd. In de jaren 1867-1870 werd daarom rond Utrecht een meer vooruitgeschoven verdedigingslinie aangelegd, welke uit vier forten bestond. Bij het ontwerp en de constructie van deze forten werd gebruikt gemaakt van de nieuwste ervaringen op het gebied van de vestingbouw. De invoering van het getrokken geschut had tevens als consequentie dat de nog maar kort tevoren opgeleverde torenforten moesten worden aangepast: de torens waren immers te kwetsbaar geworden. Deze aanpassing bestond in de meeste gevallen uit de aanleg van een zware gronddekking aan de buitenzijde van de toren, waarmee het vrije schootsveld van de meeste vuurmonden evenwel verloren ging. Dit gebrek aan vuurkracht compenseerde men weer door elders op het fort nieuwe geschutsopstellingen in te richten, welke door afzonderlijke grondlichamen waren beveiligd. Ook werd van sommige torens, waaronder die van het fort Honswijk, de bovenste verdieping afgebroken. Tijdens de Frans-Duitse oorlog (1870-1871), toen de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in staat van verdediging werden gebracht, kwamen overigens nog andere tekortkomingen aan het licht. Vooral het ontbreken van voldoende dekkingsmogelijkheden voor manschappen en materieel was evident. In dit gemis werd gedurende de jaren 1874-1880 voorzien: uit deze periode dateren de op alle forten aangebrachte bomvrije kazernes en munitiemagazijnen met gronddekkingen van enkele meters dik.

Parallel hieraan verliepen de werkzaamheden ter algehele verbetering van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, welke plaatsvonden binnen het kader van de 'Vestingwet' van 1874. Krachtens deze wet kwam de kern van de verdediging, meer nog dan voorheen, in het westen van ons land te liggen. Fortificaties in dit gebied - later aangeduid als de 'Vesting Holland' - dienden te worden uitgebreid en gemoderniseerd, vestingen in het noorden, oosten en zuiden zouden goeddeels verdwijnen. Daar bleven alleen verdedigingswerken gehandhaafd die een vijandelijke opmars konden vertragen. In 1874 werd een begin gemaakt met de modernisering van het fort Everdingen. Ter bescherming van de toren bouwde men aan de noordoostzijde een zogeheten contrescarpgalerij: een ringvormig gebouw van dik metselwerk, dat aan de buitenkant werd voorzien van een zware gronddekking. In de contrescarpgalerij werden remises (schuilplaatsen voor geschut) aangebracht, die door middel van liften vanuit de onderliggende magazijnen konden worden bevoorraad met munitie. Een gedeelte van de schietgaten in de toren werd dichtgemetseld, terwijl in de fortwal vijf bomvrije gebouwen met aarden dekking verrezen. Tegelijkertijd werden de inundatiemiddelen ten zuiden van de Lek verbeterd. Zo werd aan de oostzijde van het fort Everdingen een nieuwe stenen inlaatsluis gebouwd. Via deze sluisbeer7 kon het rivierwater vanuit een toeleidingskanaal door de Goilberdingerwaard naar een eveneens nieuw aangelegd inundatiekanaal worden geleid. Al deze werkzaamheden vonden plaats tussen 1874 en 1879. Het 'Werk aan het Spoel' werd in de jaren 1876-1879 voorzien van vier bomvrije gebouwen met aarden dekking. Ook werd ten zuiden van de uit 1815 daterende waaiersluis een inundatiekanaal met kwelkom gegraven, terwijl rond de zuidelijke helft van het fort een nieuwe weg werd aangelegd. Via deze rondweg kon het verkeer in tijden van mobilisatie of oorlog om het Werk heen worden geleid.

Ten slotte werden in 1879 direct ten zuiden van het fort Everdingen nog drie aarden emplacementen op het westelijke talud van de Diefdijk aangelegd Deze geschutbanken bestreken de Prijsseweg en de met inundeerbare terreinstrook aan de binnenzijde van de Zuider Lekdijk. Overigens vormde de spoorweg Utrecht-Culemborg-Waardenburg, die in 1868 werd geopend, een aanzienlijke verzwakking voor deze sector. Onder dekking van de hoge spoordijk kon een mogelijke vijand zijn aanvalsbatterijen immers ongezien in stelling brengen en van hieruit de forten Honswijk, Everdingen en het Spoel beschieten. De Nieuwe Hollandse Waterlinie was nog maar nauwelijks gereed en volgens de eisen des tijds ingericht, of zij was al weer verouderd. In de jaren na 1885 werden namelijk nieuwe granaten ingevoerd met een brisante springlading. Het tot dusver in granaten toegepaste buskruit werd vervangen door modernere springstoffen als trotyl en pikrinezuur, die een tien tot vijftien maal grotere uitwerking hadden. De forten met hun 'bomvrije' gebouwen waren tegen een dergelijk geweld niet meer opgewassen en verloren daarmee hun waarde als goed beveiligde artillerieopstellingen. Wel bleven zij een rol spelen als steunpunt voor de infanterie; zo leenden de hoge wallen zich uitstekend voor de aanleg van loopgraven en observatieposten. Een en ander bracht met zich mee dat na 1885 geen belangrijke wijzigingen meer werden aangebracht aan de forten in de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

De introductie van de brisantgranaat resulteerde uiteindelijk in een geheel nieuwe verdedigings- en opstellingstactiek. Ten einde de trefkans te verkleinen, moesten het zware geschut en de manschappen voortaan worden ondergebracht in versterkingen van hout en aarde, welke verspreid tussen en achter de forten lagen. Omdat het aanleggen van dergelijke veldversterkingen in vredestijd echter een zeer kostbare aangelegenheid was (niet alleen moest veel civiele grond worden aangekocht of gepacht, maar de versterkingen moesten ook worden onderhouden!), kon men hiertoe pas overgaan tijdens een mobilisatieperiode. Dit geschiedde dan ook voor het eerst in 1914.

De beide Wereldoorlogen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd in de Nieuwe Hollandse Waterlinie een groot aantal veldversterkingen voor artillerie, infanterie en munitieopslag gebouwd Deze bestonden uit zware balken, planken en (in sommige gevallen) uit stukken spoorrails en waren alle voorzien van een gronddekking. In de loop van de oorlog werd de linie allengs uitgebreid met prikkeldraadversperringen en loopgraven. Zo werd in de met inundeerbare uiterwaard bij het fort Everdingen een loopgravenstelsel aangelegd met een lengte van enige honderden meters.

De moordende artilleriebeschietingen aan het loopgravenfront in Frankrijk en België hadden echter ook gevolgen voor het Nederlandse verdedigingsstelsel. De tot dusver gebruikelijke veldversterkingen van hout en aarde waren met in staat om dergelijke zware beschietingen te doorstaan. Dit leidde ertoe dat de Nieuwe Hollandse Waterlinie vanaf 1915 werd uitgebreid met een groot aantal schuilplaatsen van beton. Een vrij algemeen voorkomend type schuilplaats uit dat jaar was samengesteld uit losse platen gewapend beton. Door een aantal naast elkaar geplaatste segmenten te verbinden met stangen, waartoe gaten in het beton waren uitgespaard, kon zo'n schuilplaats iedere gewenste lengte krijgen. Deze constructie uit losse onderdelen, die noodzakelijkerwijs leidde tot het gebruik van dunwandige elementen met een lichte wapening, maakte het geheel evenwel kwetsbaar voor directe treffers en zware granaatscherven.

Vanaf 1916 werden daarom zwaardere monolietconstructies van gewapend beton toegepast, die beter bestand waren tegen granaatinslagen. In het laatste mobilisatiejaar 1918 vond zelfs nog een aanzienlijke versterking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie plaats. Op de belangrijkste accessen werd een groot aantal granaatvrije groepsschuilplaatsen van zwaar gewapend beton gebouwd. Zo verschenen bij het fort Everdingen achttien schuilplaatsen van dit zogeheten 'type 1918': tien voor elf manschappen en acht voor vier manschappen, die daar in zittende houding het artillerievuur moesten doorstaan.

Als gevolg van de militaire ontwikkelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog, waaronder niet in de laatste plaats het gebruik van vliegtuigen, was overigens wel duidelijk geworden dat de strategische waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (sinds 1922 officieel aangeduid als 'Oostfront van de Vesting Holland') sterk was gedaald. Deze werd nog verder aangetast door de na-oorlogse bezuinigingen op het defensiebudget, die ertoe leidden dat aan de verdedigingswerken niet meer dan het allernoodzakelijkste onderhoud werd verricht. De forten zelf werden nog voornamelijk gebruikt als opslagplaats voor artillerie, munitie en geniemateriaal.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werd de Nieuwe Hollandse Waterlinie onder dreiging van een Duitse inval opnieuw versterkt. Tussen september 1939 en maart 1940 verrezen er tientallen groepsschuilplaatsen van gewapend beton (zogeheten 'pyramides'), waarvan er zes direct ten oosten van de Diefdijk tussen het fort Everdingen en de Prijsseweg werden gebouwd8. Langs de Goilberdingerdijk en aan de Brede Steeg werden eveneens zes van deze groepsschuilplaatsen aangelegd. Ook verscheen zowel aan de Diefdijk als aan de Brede Steeg een mitrailleurkazemat van gewapend beton, die beide waren voorzien van een gietstalen geschutskoepel. Deze sector werd ten slotte nog versterkt door de aanleg van een tankgracht in de niet inundeerbare uiterwaard bij fort Everdingen en het aanbrengen van tankversperringen (zogenoemde 'asperges') ten oosten van het Spoel en Everdingen.

De plannen voor verbetering van de Nieuwe Hollandse Waterlinie werden overigens ernstig vertraagd door de strenge winter van 1939-1940 en door materiaal- en personeelsgebrek. De activiteiten in deze linie werden zelfs vrijwel geheel stilgelegd toen de regering en de nieuwe opperbevelhebber generaal Winkelman begin maart 1940 besloten om de Grebbelinie in te richten als de voornaamste verdedigingslijn van de Vesting Holland. De legerleiding had deze keuze moeten maken omdat de voltooiing van beide linies te kostbaar zou worden. Wel werd de Nieuwe Hollandse Waterlinie achter de hand gehouden als resevelinie. Zo was tijdens de mobilisatieperiode 1939-1940 het gebied ten westen van Culemborg gedeeltelijk geïnundeerd9. In de meidagen van 1940 hebben in de Nieuwe Hollandse Waterlinie overigens geen gevechtshandelingen plaatsgevonden.

De na-oorlogse jaren

Na de Tweede Wereldoorlog - waarin vliegtuigen en luchtlandingstroepen een overheersende rol hadden gespeeld - had de Nieuwe Hollandse Waterlinie haar oorspronkelijke functie definitief verloren10. Het feitelijke einde viel in 1951 bij het buiten werking stellen van de Kringenwet, welke bijna een eeuw tevoren was uitgevaardigd. In de daaropvolgende jaren werd dan ook een groot aantal forten door het Ministerie van Defensie afgestoten. De forten Everdingen en het Spoel bleven echter in militair gebruik, doordat zij als thuisbasis gingen dienen van de Explosieven Opruimingsdienst (EOD).

Op 26 februari 1960 kwam het 'Werk aan het Spoel' op een tragische wijze in het nieuws, toen zich bij de vernietiging van afgekeurde munitie een hevige explosie voordeed. Hierbij vielen een dode en enkele zwaar gewonden.

Het buiten werking stellen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie heeft bovendien tot gevolg gehad dat verscheidene inundatiesluizen in de loop der jaren zijn afgebroken. Helaas verdween in 1978 ook de uit 1815 daterende waaiersluis bij het Spoel. Een poging om deze laatste houten waaiersluis onder bescherming van de Monumentenwet te krijgen, had geen succes. Wel zijn delen van de sluis nog onder het dijklichaam aanwezig. Behalve als historisch monument, heeft een groot aantal forten tijdens de laatste decennia een bestemming gekregen als natuurterrein. Zo is het fort Everdingen - een van de best bewaarde forten in de Nieuwe Hollandse Waterlinie - thans niet alleen van belang als broedgebied voor vele vogelsoorten, maar herbergt het tevens een van de omvangrijkste populaties vleermuizen in de wijde omgeving.

Noten

1. Versterking nabij Lobith, waar de Rijn zich destijds aftakte van de Waal.

2. Het betrof hier een - gedeeltelijk uit Franse émigré's bestaand - regiment, dat deel uitmaakte van het Engelse hulpleger onder bevel van generaal Wallmoden.

3. Gevlochten ronde manden zonder bodem, die gevuld met aarde werden gebruikt ter bekleding van de borstweringen.

4. Dat de batterij aan het Spoel in 1795 inderdaad werd geslecht, blijkt uit het navolgende decreet van de Franse garnizoenscommandant Bertrand: 'II est ordonné aux bourguemaitres et echevins de la ville de Culembourg de faire retirer dans les 24 heures les pièces de canon, ainsi que toutes les munitions de tout genre qui restent a la redoute, et de les faire conduire par un homme de confiance a la manufacture d'armes, ou ils les deposeront dans un lieu sur, avec la plus grande attennon; ils feront amener aussi toutes les planches, brouettes, pioches et tout ce qui se trouve au même endroit; ils feront combler la coupure du digue; les fascines et les gabions serviront a eet ouvrage et ils detruireront la redoute entièrement'.

5. D.i. de hoofd-ingenieur derGenie.

6. Kanon met korte loop.

7. Een gemetselde dam ter regulering van de waterstand, naar boven spits toelopend.

8. De meest noordelijke van deze reeks groepsschuilplaatsen werd overigens niet voltooid.

9. In de mobilisatieperiode 1939-1940 werd ten zuiden van het Werk aan het Spoel tevens een schietbaan aangelegd, waar de opgeroepen reservisten hun schietvaardigheid weer op het gewenste peil konden brengen. Van deze schietbaan resteert nog een op drie kolommen rustende kogelvanger.

10. Toch werd in de jaren '50, tijdens het dieptepunt van de Koude Oorlog, nog een geheim plan voor een waterlinie tussen Nijmegen en Zwartsluis uitgevoerd. Bij een aanval vanuit het oosten zouden de uiterwaarden langs het Pannerdens Kanaal en de Gelderse IJssel worden geïnundeerd met behulp van drie drijvende, afzinkbare stuwen. Van deze zogeheten IJssellinie resteert nog een aantal verdedigingswerken, bestaande uit in beton ingebedde gevechtstanks.

Bronnen en literatuur
  • Akihary, H., en Behagel, M., 'De verdedigingsbouw in Nederland tussen 1795 en 1914', in: Vesting. Vier eeuwen vestingbouw in Nederland, J. Sneep, H.A. Treu en M. Tydeman, ed. ('s-Gravenhage 1982), p. 83-110
  • Atlas van historische vestingwerken in Nederland (z.pl. en z.j.). Uitgave van de Stichting Menno van Coehoorn
  • Beekmans, J.R., en Schilt, C., ed., Drijvende stuwen voor de landsverdediging. Een geschiedenis van de IJssellinie (Utrecht 1997)
  • Beltjes, P.J.W., en Schipper, P.W., Culemborg. Beeld van een stad (Culemborg 1988)
  • Brand, H. en Brand, J., ed., De Hollandse Waterlinie (Utrecht-Antwerpen 1986)
  • Bruijn, C.A. de, en Reinders, H.R., Nederlandse vestingen (Bussum 1967)
  • Donkersloot-de Vrij, M., Greive, J. e.a., De Stichtse Rijnlanden. Geschiedenis van de zuidelijke Utrechtse waterschappen (Utrecht 1993)
  • Hoof, J.P.C.M. van, 'Met een vijand als bondgenoot. De rol van het water bij de verdediging van het Nederlandse grondgebied tegen een aanval over land', in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden (1988), p. 622-651
  • Jong, J.D. de, 'Culemborg in oorlogstijd (1794-1795)', in: Bijdragen en Mededelingen Gelre (1953), p- 201-218.
  • Koen, D.T., 'De Diefdijk als sector in de Nieuwe Hollandse Waterlinie', in: In het Land van Brederode (1987), p. 26-33
  • Koen, D.T., Een onuitdoofbaar vuur. Betonnen verdedigingswerken in de Nieuwe Hollandse waterlinie (Bunnik 1995).
  • Maanen, R.H.C, van, 'Een mislukte uitwatering van het Culemborgse Gemene Land op de Lek in het begin van de achttiende eeuw', in: De Drie Steden (1996), p. 79-87.
  • Register betrekkelijk de Vestingwerken, de Inundatiemiddelen en de Militairegebouwen enz., onder beheer van den Eerst-aanwezenden Ingenieur te Gorinchem, aangelegd in 1888. Archief Stichting Menno van Coehootn, Utrecht.
  • Rolf, R., 'De twintigste eeuw: bouwen in beton', in: Vesting. Vier eeuwen vestingbouw in Nederland, J. Sneep, H.A. Treu en M. Tydeman, ed. ('s-Gravenhage 1982), p. 126-149.
  • Woud, A. van der, Het lege land. De ruimtelijke ordening van Nederland 1798-1848 (Amsterdam-Antwerpen 1998), p. 449-498