In het Jaar 1555 stond in Culemborg een oud kasteel van om en nabij de 300 jaar. Het zal verre van comfortabel geweest zijn, niet bepaald geschikt om er oud in te worden. Toch woonde daar toen een oude dame, Vrouwe Elisabeth, de laatste van het geslacht Culemborg, dat al honderden jaren stad en omgeving had bestuurd. Ze was toen ruim 80 Jaar.

H. Schrijver

Op dinsdag 17 november hield de heer A.M. Schrijver voor ons genootschap een lezing over de geschiedenis van het Elisabeth Weeshuis. Dit artikel is hiervan een licht bekorte weergave. Het verscheen ook in Voetnoot 2

Het werd mei. En ik stel me zo voor, dat ze in haar sombere kasteel zittend, door de hoge vensters de zon zag schijnen, de merels hoorde fluiten. En zoals een echte geboren en getogen Betuwse, kon ze het toen binnen niet meer houden en moest ze naar buiten.

Gesteund door een dienstmaagd is ze toen over de brug gegaan naar het Voorburg, heeft ze gewandeld door haar tuin 's Heerenhof en toen, moe geworden, is ze gaan zitten op een naar buiten gedragen zetel, kijkend over de Volenkampen, waar haar jonge veulens met elkaar dartelden in de voorjaarszon. Ze zal wel hebben zitten genieten, zoals we dat allemaal kunnen, in de lente, van ons mooie land tussen de brede rivieren.

Ik denk, dat ze toen gedacht heeft aan vroeger, aan haar kindertijd, haar jonge meisjestijd, haar huwelijken. Ze heeft geleefd in de glorie van het Oostenrijkse hof in Brussel. Haar vader was daar een zeer belangrijk man, haar moeder van een voorname Franse familie. Haar eerste man was een neef van de koning, haar tweede was een stadhouder van keizer Karel V. Ze heeft ze allemaal overleefd. Als je in die tijd tachtig was, dan had je haast geen familie meer, geen broers of zusters. Zelfs het volgende geslacht was al heengegaan.

foto van de heer j. schrijver

Aan de "regte Armen"

Ondanks de vreugde, die de bloeiende Betuwe haar geschonken heeft, zal ze een gevoel van eenzaamheid hebben gehad. Dat is voor oude mensen normaal, ze worden eenzaam, vooral als je gezegend bent met hoge ouderdom. En zij was voor die tijd stokoud.

De meeste mensen beklagen zich over die eenzaamheid en gaan negatief denken. Elisabeth deed dat duidelijk niet. Zij heeft positieve gedachten gehad, want in diezelfde maand mei heeft ze gesprekken gehad met de notaris en een viertal executeurs-testamentair, waaronder Melchior van Culemborg en de deken van de Barbarakerk Mr. Johan van Schoonhoven. In die maand, terwijl de wereld vol was met nieuw leven, sprak ze over haar testament.

Hoe kon ze? Alleen maar, doordat ze haar eenzaamheid op een positieve manier omzette in zorg voor anderen die eenzaam zouden kunnen zijn. Wie waren die eenzamen in haar tijd ? Dat waren oudere mensen en weeskinderen.

Bij testament liet zij daarom haar bezittingen na. aan de "regte armen" van Culemborg en Hoogstraten. "Het heeft de Edel Wel-geborene Vrouwe, Vrouwe Elisabeth van Culemborg, gelieft, als ene goede Christen-Vrouwe, te disponneeren van hare tydelyke goederen", zo wordt ons gemeld. Op 25 mei tekende ze dit testament, een half jaar voor haar dood op 9 december 1555. Zittend in haar stoel overleed ze, de Vrouwe, waaraan Culemborg zoveel te danken had en heeft.

Het Elisabeth-Weeshuis

Uit haar nalatenschap wordt het Elisabeth-weeshuis gesticht. Als het Weeshuis in 1560 de eerste wezen opneemt, is alleen de jongste van de vier executeurs-testamentair, Melchior van Culemborg, nog in leven. De Fundatiebrief, een uitvoerig geschrift, waarin alles omtrent het leven in het huis, alsmede het bestuur, geregeld is, ademt duidelijk de gedachten en de zorg van de hoge Vrouwe. Alle eeuwen door hebben de betrokkenen die fundatie zeer zwaar laten wegen, wanneer omstandigheden van buitenaf dwongen tot verandering.

Vierentwintig jongens en evenveel meisjes mochten worden opgenomen, tesamen met 12 "devote maegden of weduwen". Een van deze vrouwen zou gekozen worden als "meesterse". Tevens zouden enkele priesters in het huis verblijven.

afbeelding van de poort van het elisabeth weeshuis Een vleugel, de westelijke, was voor de meisjes en de vrouwen, de andere voor de jongens en de priesters.

De kinderen werden opgenomen op 5-Jarlge leeftijd en ze verlieten het huis als ze 16 Jaar waren. Vaak vroegen ze echter om nog een of twee jaren te mogen blijven. Dat werd hen dan altijd toegestaan.

De fundatie regelde uitvoerig de zorg voor de wezen. We vinden er bijvoorbeeld bepalingen in omtrent het eten, de reinheid en de opvoeding. Het bestuur van het weeshuis bestond uit vier protectoren, waarvan de graaf of zijn plaatsvervanger, de drost, er een was. Een rentmeester had de zorg voor de financiën. Op de naamdag van Vrouwe Elisabeth, 19 november, werd zijn rekening "gehoord". Ook voor de nodige provisie in het weeshuis moest worden gezorgd: "Brood, Koorn, Vleesch, Boter, Kaase, gedroogde Vis, Haring, Hout, Turf, Linnewaat en VollenLaken." De Meesterse diende toe te zien op - of laten helpen bij -het opmaken van de bedden, het kammen van de hoofden, "het wassen van de voeten by wylen ten twee ofte drie Maanden eens" en verder moest zij toezicht houden op het gedrag van de 'maagden' .

In het winterhalfjaar stonden de kinderen om zes uur op, in de zomer om vijf uur. Ze gingen dan "ter misse" in de kapel, waar ze o.a. mochten bidden voor "de ziele van hunieder fondatrice".

Na de mis gingen de kinderen naar de reventer (eetzaal), waar brood, boter, melk of, "voor wie 't begeert, eenen dronk biers" genuttigd werd. Daarna ging men ter schole in het eigen huis. Om elf uur luidde het klokje voor het eten, nadat de handen waren gewassen. Na deze maaltijd volgden weer lessen tot drie uur. Dan, al naar de leeftijd, was het spelen of werken tot aan de avondmaaltijd.

Om zeven uur ('s zomers acht uur) gingen de kinderen naar bed, maar niet dan nadat ze zich eerst lekker gewarmd hadden bij de vuren. Per drie bedsteden hoorde een pispot. In elke slaapzaal (een dormiter) twee "lanteernen" . De meesterse en een priester moesten vooral in de winter "ommegaan om te zien of ze wel gedekt zijn".

Ook voor de vrije dagen waren er regels. "Alle Sonnen-dagen en Preek-dagen van den Jaare zullen de Knegtkens met de Priester twee aan twee, ende de Meyskens met haare Schoolmeesterse in gelijke ordre gaan naar de St.Barbara Kerk, (en) ten seven uuren 's morgens 't sermoen gaan horen..."

Dat de hygiëne niet uit het oog werd verloren, vertelt ons tot slot de volgende bepaling: "Item zal men alle de Weeskinderen op beyde Dormiters vermaninge doen, zo wanneer zy opstaan uyt den Bedde, dat zy als dan de Vlooyen ende alle quade Gewormte zoeken, vangen en doden."
De naamdag van Vrouwe Elisabeth was voor de weeskinderen een bijzondere aangelegenheid. Deze werd elk Jaar op 19 november gevierd. De kinderen toonden dan hun schriften aan de Protectoren, demonstreerden hun leeskunst en samen zongen ze. Ieder kind kreeg iets in zijn spaarpot. Soms kregen de weesvader en -moeder ook wat. Maar enkele kinderen kregen ook wei eens een standje.

In vogelvlucht door de eeuwen

Slechts 18 Jaar is het weeshuis een Rooms-katholiek gesticht geweest, want in 1578 werd graaf Floris protestant, dus ook het Elisabeth Weeshuis.

In de eeuwen daarna ging het leven in het Weeshuis zonder veel problemen voort. Daarin kwam alleen verandering, als de grote politiek zich tot in Culemborg manifesteerde. In het Jaar 1672 bijvoorbeeld kwamen de Franse troepen. Ruim twee jaar hebben ze onze stad veel last bezorgd. Ruimten van het Weeshuis werden gevorderd om zieken in onder te brengen. Dat gaf de kinderen veel overlast: de stank was soms ondraaglijk. Ook de tweede Franse Tijd van 1795 tot 1813 heeft het weeshuis heel wat overlast bezorgd.

De Protectoren vergaderden iedere maand. Gesproken werd over alles, wat in het huis belangrijk was. Meestal waren dat geen spectaculaire zaken. Voor mensen van nu zijn die onderwerpen echter vaak nog wel leuk of interessant.

Zo was er in 1817 een nieuwe rentmeester nodig. Gedeputeerde Staten van Gelderland hadden een brief gestuurd met een aanbeveling voor ene Jan van Kerkwijk. De Protectoren, gesteld op hun eigen zelfstandigheid, schreven echter ijskoud terug, dat deze heer best wel geschikt zou kunnen zijn voor Kamerbewaarder of Beurtschipper, maar niet als rentmeester.

Een andere personeelszaak meldt de vergadering van 4 mei 1818. Weesmoeder Lutten kwam de Protectoren vertellen dat haar hulp, Wouter te Rappart, al sedert 1806 niet meer kon werken. Zelf werd ze echter ook ouder. Daarom stelde ze voor Barbara Elias, die vroeger in het Weeshuis had gewerkt en op dat moment als dienstmeid in Rotterdam werkte, als hulp te benoemen voor f 50,- per Jaar. Deze Barbara zou bovendien een goede opvolgster zijn als weesmoeder. De Protectoren vonden dat een goed voorstel en aldus werd besloten.

Een geval met de kinderen is het verzoek van Trijntje Koedam, die volgens de fundatie nog een jaar in het huis moest blijven. Zij verzocht nu al als dienstmeid te mogen gaan werken bij mevrouw de weduwe Boey, waar ze een goede huur kan bekomen. Hierover werd gedelibereerd. Met het oog op het welzijn van het kind werd besloten dat ze per 1 mei mocht vertrekken met de gewone uitzet.

Dat Culemborg vroeger veel last had van hoogwater, moge blijken uit het volgende. In dezelfde vergadering meldt de rentmeester, dat van al het land, dat per jaar wordt verpacht, dat jaar maar één morgen was verhuurd. Al het andere land stond het hele jaar al onder water. Ook ene Cornelis van Panwijk en ene Coenraad Grootveld komen ter vergadering, omdat ze het grlendhout, dat ze vorige winter hadden gekocht, door de hoge waterstand niet hebben kunnen hakken. Ze mogen echter het dan 4-jarige hout hakken, als ze een vierde van de prijs bijbetalen. Met deze oplossing kunnen ze wel akkoord gaan.

Veranderingen in 1818: het Convenant

De gelijkstelling van godsdiensten in de Bataafse tijd had tot gevolg, dat de Rooms-Katholieken van onze stad zich gingen roeren. Zij schreven een brief naar de Directeur-Generaal van de Rooms-Katholieke Eredienst met de mededeling, kort en goed: "Wij willen ons gesticht terug, want het is van oorsprong een r.k. stichting met een r.k. stichteres".

Koning Willem I riep hierop een commissie van goede diensten in het leven, een zware commissie, bestaande uit twee leden van Gedeputeerde Staten, twee leden van Provinciale Staten, van beide één Protestant en één Katholiek, met de Griffier.

Deze commissie kwam naar Culemborg en vergaderde daar drie dagen met twee Protectoren van het Elisabeth Weeshuis, twee'gecommitteerden van de Rooms-Katholieken, twee van de Hervormde Kerkeraad, twee van de Evangelisch Lutherse Kerkeraad en twee van de Oud-Katholieken. Dit gebeurde op 20, 21 en 22 Januari 1818.

Het resultaat was een nieuwe overeenstemming, een Convenant. De gebruikte argumenten zijn de moeite waard. De heren hebben de Fundatie uitvoerig bestudeerd, zoekend naar de Geest daarvan en ontdekkend, dat die fundatie stoelde op godsvruchtige gevoelens. Ze hebben elkaar daarom gevonden als Christenen, als dienaren van dezelfde Meester, komend tot een Christelijke overeenstemming. Voor opname van wezen zou voortaan alleen de meerdere of mindere behoefte van de kinderen tellen.

Er zouden vier Protectoren zijn, waarvan twee belijders van de Protestantse godsdienst en twee belijders van een andere Christelijke godsdienst. Deze voorstellen zijn naar de Koning gegaan en vanuit Brussel kwam, een missive, de dato 29 mei 1818, met de mededeling: "Wij Willem bij de Gratie Gods, Koning der Nederlanden, gezien de Fundatiebrief, gezien het minnelijk vergelijk, bekrachtigen deze." De weesvader zou voortaan Protestant zijn, de moeder Rooms-Katholiek.

De storm van 1856

De nacht van 11 op 12 augustus 1856 werd een rampnacht: een orkaan rukte het hoge puntdak van het huis af en de regen sloeg in alle lokalen binnen. Nog dezelfde dag werd besloten de jongens te laten slapen op de zolder van de stadsschool, terwijl de eigen schuur als meisjes-slaapvertrek kon dienen. Het dak werd natuurlijk gerepareerd, maar om de kosten te drukken, werd het dak verlaagd. Die situatie bestaat nu niet meer. Bij de laatste restauratie, ruim tien Jaar geleden, werd het hoge dak weer in ere hersteld.

Van huis naar hof

Nu een grote sprong voorwaarts. Kort na de Tweede Wereldoorlog verminderde het aantal wezen. Eerste oorzaak was de verbeterde gezondheid van ons volk. De tweede was een wet, waardoor de overheid een vergoeding ging betalen aan familieleden, die een wees in huis namen. Er werd daarom gezocht naar een andere bestemming voor het gebouw. Zo werd er gedacht aan een huis voor voogdijkinderen of werkende jongens en meisjes. Deze ideeën stuitten echter op grote problemen bij de officiële Instanties.

Ook werd er aan gedacht om het weeshuis geschikt te maken voor ouden van dagen. Een dergelijk huis zou liggen binnen de "zorgsfeer" van Vrouwe Elisabeth. Toch waren er ook hier tegenvallers bij het verkrijgen van vergunningen. Ook de prijs van de noodzakelijke verbouwingen viel tegen. Toch kwam er een oplossing. Op de vergadering van 21 Juli 1952 werden twee verrassende besluiten genomen: 1. het gebouw zou worden verhuurd aan de Christelijke H.B.S., en 2. een nieuw tehuis voor Ouden van Dagen zou worden gebouwd aan de Van Pallandtdreef. Dit Elisabeth-hof werd op 16 Juli 1955 geopend door burgemeester Van Koningsbrugge .

In mei van dat jaar, precies 400 Jaar na de ondertekening van het testament van Vrouwe Elisabeth van Culemborg, hadden evenwel de eerste bewoners van het huis al met de Protectoren aangezeten aan een diner, ter ere en nagedachtenis van de Stichteres van dit Gesticht. Ik denk, dat verschillende van de mensen, die daarbij waren, de volgende dag door de Dreven zijn gekuierd, hebben gezeten op een bankje, genietend van de lente, die in onze Betuwe op zijn mooist is.

Misschien hebben ze zich eenzaam gevoeld. Oude mensen kunnen eenzaam zijn. Maar het kan zijn, dat ook zij die negatieve gedachten hebben kunnen ombuigen in positieve ideeën, om iets te doen of te zijn voor een ander.