Nederland mag dan vrijwel geen stadsboer meer rijk zijn, aan stadsboerderijen is geen gebrek. Ze zijn er in alle maten en soorten, maar één kenmerk hebben ze gemeen: aan de voorkant 'zie je het er nauwelijks aan af'.

Want het erf en de stallen bevinden zich achter pui en poort. Als er nog stallen staan tenminste... 

 

Eeuwenlang zijn de namen Van der Winkel en Van Vu(u)ren al terug te vinden in de archieven van de stad Culemborg.

Ze zijn er bijna net zo lang als er bebouwing aan de Goilberdingerstraat is, en die is er sinds de late Middeleeuwen. Op nummer 8 en 10 van die straat komen al die historische lijnen samen in de huidige bewoonster: mevrouw Van Vuren - Van der Winkel (70). Sinds maart 2002 is ze weduwe; haar man was de laatste stadsboer van 'Kuilenburg', zoals echte Van Vurens en Van der Winkels hun stad zijn blij­ven noemen. En met hem zijn ze nagenoeg allemaal uit heel Nederland verdwenen.

Daarmee is een einde gekomen aan een tijd­perk dat in feite begon bij het ontstaan van de allereerste steden. Het houden van vee binnen de stadsmuren was immers heel gewoon, zij het dat dat op zeer kleine schaal gebeurde. Maar heel veel steden en stadjes kenden gaan­deweg ook tal van boeren van het type Van Vuren: met enkele tientallen koeien, die 5 zomers weidden op het land rondom de stad, en '5 winters in de stad op stal stonden. Vaak werd voor deze afwisseling gekozen omdat de weilanden rondom de stad te dras­sig en overstromingsgevoelig waren om er zich metterwoon te vestigen. En dat was zeker het geval in het stroomgebied van de grote rivieren, daar waar Culemborg ligt.

Lang gras

Van Vuren had in de hoogtijdagen van zijn 'boerengedoe', tussen 1965 en 1985, zo'n 24 melkkoeien, 25 schapen en een dozijn paar­den. Met die paarden, en om die paarden, was het allemaal begonnen. "De grootouders en ouders van mijn man hadden naast hun vee­handel ook een slepersbedrijf," legt mevrouw Van Vuren uit. "Met behulp van paardenkracht werden boomstammen van de haven naar de meubelfabrieken in de omtrek gebracht. Maar na de Tweede Wereldoorlog nam de vrachtau­to dat transport helemaal over."

De firma Van Vuren bleef hardnekkig aan paar­den vasthouden, en schakelde over op de kolenhandel. Toen ook die door de tijd werd ingehaald, besloot de jonge Van Vuren, die geheel in de familietraditie pertinent geen afstand wilde doen van zijn paarden, vee te gaan houden "Hij leefde van de koeien en voor de paarden," vat mevrouw Van Vuren het bondig samen.

Het vee werd geweid op de weilanden van het naburige kroondomein De Volenskampen. Een van de drie dochters Van Vuren, Anne (43), is komen aanschuiven bij bet interview met haar moeder, en legt geduldig aan de stadse journa­list uit hoe land geweid moet worden: "Eerst laat je de koeien grazen, want die hebben lang gras nodig. Dan komen de paarden, die in banen grazen, langs bijvoorbeeld de zuring heen. En ten slotte weien de schapen na, om het gras kort te houden."

Bloedbeestjes

De paarden van de Van Vurens waren van alle markten thuis. Ze deden niet alleen dienst als werkpaarden om bijvoorbeeld mest of hooi uit te rijden, maar konden ook uitstekend in de dressuur uit de voeten. "Het waren Gelderse paarden, he'. Geschikt voor Z-dressuur, dat wil zeggen: in de zware categorie. Nog net geen Bonfires, zeg maar," zegt mevrouw Van Vuren met een verwijzing naar het gouden Olympische ros van Anky van Grunsven. "Bloedbeest­jes!", valt haar dochter, zelf amazone pur sang, haar gloedvol bij. De meeste van deze raspaar­den werden verhandeld, een paar bleven per­manent op stal in de Goilberdingerstraat. Twee er van vormden het span waarmee Van Vuren decennialang door de straten van Culemborg roffelde om mest uit te rijden, daarmee tot plaatselijke beroemdheid uitgroeiend.

Maar aan het boerenbedrijf kwam een einde, toen Van Vuren ernstig ziek werd. Het begon met een bijna fatale dubbele longontsteking in 1983, en het ging van kwaad tot erger. Dochter Anne leerde de stallen runnen, en moeder Van Vuren moest haar werkzaamheden als onder­wijzeres staken, en fulltime bijspringen in het bedrijf. "Eigenlijk moest ik niet veel van dieren hebben, en was ik bang voor paarden. Maar wat moet je, als er midden in de nacht een hengst losbreekt, en je man doodziek op bed ligt?" Ja, dan moet je er wel voor springen, en daarmee was ze in een klap over haar angst heen. Maar daarmee was het bedrijf niet gered. "Rond 1990 was zo'n beetje alles weg. De paarden van het tweespan hebben we echter gehouden, en mijn man heeft er tot een paar jaar voor z'n dood nog mee gereden. Door een beroerte kon hij niet meer fietsen of autorijden, maar de paarden reed hij op z'n stem..."

Anno 2003 staan de drie stallen aan het straatje achter de poortdeuren van Goilberdingerstraat 8 en 10 akelig leeg. Duiven hebben er nu hun domicilie. Mevrouw Van Vuren - Van der Winkel: 'Ik wil de stallen eigenlijk af laten breken, want wat moet ik ermee. Maar dat kost tienduizen­den guldens, en dat geld heb ik niet."

Eerste helft hoofdartikel gratis magazine van de Stichting Open Monumentendag, zaterdag 13 september 2003

In het stadhuis was een prachtige tentoonstelling van boerderij-foto's gemaakt door de heren Van Blokland en De Heus. Ook ons genootschap gaf acte de présence. Dit jaar was er een antiekmarkt en een demonstratie van oude machines en beroepen. Hulde voor de organisator; volgend jaar weer. Ook het draaiorgel was aanwezig voor een serenade aan de voorzitter van het Museum Elisabeth Weeshuis.