Sinds kort is onze stad een statig, gerestaureerd monument rijker. Dit nadat door een langdurig herstel het zo vervallen pand Grote Kerkstraat 11-11a (vroeger 11 en 13) een geheel nieuw uiterlijk heeft gekregen. Dat dit niet zomaar een oud huis was, kon men al voor de restauratie zien.

Addie Keizer

Eerder verschenen in Voetnoot 1, 1987

Het was een groot z.g. "dwarshuis" (een in de lengte van de straat gebouwd pand; een type dat in Culemborg meer voorkomt en -kwam). De voorgevel, die zwaar uit het lood stond, was, voor zover bewaard, met natuurstenen banden doorregen. De beide trapgevels waren blijkens restanten, afgedekt geweest met natuursteen. Boven de gewijzigde vensters van de voorgevel bevonden zich bogen met natuurstenen blokjes. Daartussen vinden we een geprofileerd smaller kozijn met spitsboog, met daarin het Jaartal 1553. Het linker gedeelte van het huis was geheel uitgebroken en tot pakhuis ingericht, waarvoor in het midden van de voorgevel een grote toegangsdeur was aangebracht. Achter dit gedeelte bevond zich een waarschijnlijk laat-16de- eeuwse uitbouw en een reeks latere schuren. In het westelijke deel was in het begin van de vorige eeuw een afzonderlijke woning afgescheiden. Deze verkreeg later een hoge gepleisterde voorgevel en aan de achterkant een uitbouw.

Voor en tijdens het herstel van het pand ben ik er vele malen in geweest om zowel in het pakhuis- als het woongedeelte foto's te maken van de vele bouwkundige bijzonderheden. Wat in het bijzonder opvalt bij vergelijking van het fotomateriaal, is, dat het pand zeer practisch is verbouwd. De oorspronkelijke vormgeving is daarbij jammer genoeg op de tweede plaats gesteld. Zo is de laat-16de-eeuwse achterbouw helaas afgebroken. Slechts foto's kunnen hiervan nog een indruk geven.

Bij graafwerk in en achter het pand, dat ik zelf in de avonduren verrichtte, heb ik geen waterput of iets dergelijks kunnen vinden. Vaak herbergt zo'n put een schat aan informatie. Wel heb ik vele potscherven gevonden, diverse oude gebruiksvoorwerpen, een vijftal munten, en twee oude bierflesjes van de vroegere bierbrouwer Hustinx.

Het pand moet als een zogenaamd "zaalhuis" zijn gebouwd. Gelijkvloers had het een circa 5 meter hoge ruimte, die mogelijk door eenvoudige tussenwanden was verdeeld. Een verdieping had het niet, doch boven de uit moei- en kinderbalken bestaande balklaag bevond zich de zolder. De balksleutels, voor zover oorspronkelijk nog aanwezig, waren fraai uitgevoerd. Waarschijnlijk was er oudtijds in de grote ruimte ook een hang- of insteekkamer, waardoor het mogelijk was om door één der hooggeplaatste vensters naar buiten te kijken.

Tijdens de herstelwerkzaamheden kwamen er aan beide zijgevels fragmenten van een schouw tevoorschijn.

Het is niet uitgesloten, dat in de thans gesloopte oude achterbouw zich de keuken heeft bevonden. Sporen van een kelder (die men toch in een dergelijk huis verwachten mag) zijn niet aangetroffen.

Uit archiefonderzoek is gebleken, dat dit huis "De Dekenij" was, de ambtswoning van de Deken van het in 1421 gestichte Kapittel van Sint Barbara. Hierin werd toen de parochiekerk van Culemborg geïncorporeerd. De functie van pastoor werd sinds die tijd door de Deken vervuld.

Het Jaartal 1553 in het linkerdeel van de voorgevel is curieus, want in dat jaar werd, na het overlijden van de Deken Volter de Harde - die al in 1524 dit ambt vervulde - de Culemborgse Kanunnik Mr. Johan Martensz. van Schoonhoven tot diens opvolger benoemd. Kennelijk heeft deze het huis laten vernieuwen. In het volgende jaar verkocht de Deken het huis dat hij aan de Markt bezat. Johan van Schoonhoven is een man van grote betekenis geweest in Culemborg, o.a. was hij één der executeurs-testamentair van Elisabeth van Culenborch. In 1557 of kort daarna is hij overleden.

Na de dood van de laatste Deken, Gijsbrecht de Bruyn, is het huis aan particulieren ter bewoning gegeven.

Zo werd het in 1627 'beleend' aan de kapitein van het Staatse leger Maximiliaan Clinger, een rijk en kunstzinnig man. Hij heeft er stellig gewoond.

Een jongere neef van hem was de kunstschilder Maximiliaan Clinger, die in 1639, vanwege het overlijden van zijn oom, enige tijd in Culemborg vertoefde. Hij schilderde alhier o.a. het prachtige portret van de op zijn sterfbed liggende graaf Floris II van Culemborg. Na de dood van de kapitein kwam de Dekenij aan anderen, onder meer aan een van de raadsheren van de graaf van Culemborg, Mr. Johan van Vianen, een zoon van de bekende Utrechtse zilversmid Adam van Vianen. Genoemde verwierf het pand omstreeks 1647 in eigendom. Hij overleed in 1652. Het huis bleef in zijn familie tot 1709. Daarna had het verschillende andere bezitters.

de dekenij na restauratie

"De Dekenij" na de restauratie. In het pand zijn nu twee woningen ondergebracht. Foto: fotoverzameling "Voet".

Na enige eigendomswisselingen werd het huis in 1809 gekocht door "Anthony van Munster Josephuszoon den oudsten". Deze bezat aan de Markt tussen de Grote Kerkstraat en de Binnenpoort een herberg, die hij ook exploiteerde.

In 1832 vinden wij de bierbrouwer Willem Rabelink als eigenaar. Hij verkocht het pand echter weer in 1843.

In de jaren zestig van de 19-de eeuw vinden we wederom een bierbrouwer als eigenaar, Josephus Franciscus de Jong. Deze verkocht de bierbrouwerij in 1869 aan Johannes Wilhelmus van de Loo, en A. A. van Maurik. Vanaf dat moment droeg zij de naam "De Pauw".

In 1880 verhuisde de in Rhenoy geboren Theodorus van Mook van Eindhoven naar Culemborg. Hij kocht zich in de zaak in, maar overleed in 1891, een weduwe met een stoet kinderen achterlatend. Zijn oudste zoon Wilhelmus F. R. van Mook was toen negen jaar oud en zou zijn vader, na voltooiing van zijn schooltijd, in de zaak opvolgen. We spreken dan over de firma Van der Loo en Van Mook.

In het jaar 1908 vinden we "De Pauw" terug in handen van de fam. Hustinx, die de brouwerij nog voor een periode van drie jaar in stand wist te houden. Met het verdwijnen hiervan verloor Culemborg zijn laatste bierbrouwerij.

Lang heeft het pand echter niet leeg gestaan, want kort daarna vestigde er zich de heer Van Rooyen, kolenhandelaar van beroep. Vele oudere Culemborgers zullen zich hem wel kunnen herinneren. Hij reed als een van de eerste in een vrachtwagen met laadbak van het type T-Ford.

Het pand is tot ver na de Tweede Wereldoorlog familiebezit gebleven. Het werd aan vele meubelfabrikanten en bewoners verhuurd.

de dekenij voor de restauratie

'De Dekenij" voor de restauratie. Foto: A. Keizer.

Achter waren de schuren waar vele meubelontwerpen tot stand kwamen. Enkele namen van meubelmakers uit die tijd zijn o.a. Sielhorst, Van der Donk, Nieuwenhuizen, Van Kesteren, Collé, en Van den Heuvel. In het linkergedeelte aan de voorzijde heeft dhr. Geert Veld vele jaren een ijsfabriek gedreven. Later werd het een opslagplaats voor groenten en fruit van dhr. K. Veld. Het laatst werd het verhuurd aan de heer G. de Jong.

Het rechtergedeelte is altijd woonhuis gebleven. Bekende bewoners waren de dames Ausems, de familie Siebers en de studenten van de Sociale Academie. Zij hebben er als laatsten gewoond. Vele jaren van achterstallig onderhoud hadden echter in en om het huis hun sporen achtergelaten. Restauratie was dan ook een kwestie van pure noodzaak. Na voltooiing daarvan is het pand nu in twee woonhuizen verdeeld. Het linkerdeel is in eigendom verworven door de familie O.J. de Jong. De familie J. v.d. Veerdonk bewoont het rechterpand.

Dat de huidige privatisering een waarborg moge betekenen, voor het behoud van dit historievolle pand.

  

NOTEN:

(1)        De Drie Steden, 4e jrg. nr. 2, najaar 1983

BRONNEN
    • Informatie over de periode 1421 tot 1843 werd verstrekt door mr. P.J.W. Beltjes. Enkele delen van dit artikel zijn van zijn hand.
    • A. Houtkoop en W. Veerman, Oud Culemborg in Beeld, p. 106.
    • 0. J. de Jong, De Reformatie te Culemborg, Assen 1957.
    • R. Meischke, Het Nederlandse woonhuis van 1300-1800, Haarlem 1969.
    • M. Gijswijt-Hofstra, Wijkplaatsen voor vervolgden, z. pi. 1984.

    Zie ook:

    J.L. Volders, "Markt 44 en Grote Kerkstraat 11", in: Behoud van het Verleden, 10 jaar restaureren in Culemborg, Culemborg 1987