deel van het jerusalemkloosterWat is dat toch een vreemde gevel? Dat zullen vele mensen denken als ze op de parkeerplaats achter de Albert Heijn naar de achtergevels van de huizen aan de Zandstraat kijken. Wie heeft hier zo’n rare ruïne neergezet? Het lijkt wel een fantasiekasteel! Met een torentje en een spitsboogvenster! Niet is minder waar. We zien hier echt een van de oudste originele gevels zo niet DE oudste gevelfragmenten van heel Culemborg. Het zijn de restanten van een eens machtig klooster. Het Jerusalemklooster.

Een van de belangrijkste doelen van veel pelgrimages was Jeruzalem met als centrum de basiliek van het H. Graf, waar de monniken der Sepulchrijner Orde de bediening uitoefenden. De orde der Sepulchrijnen, ook Jerusalemse Kruisheren of Reguliere Kanunniken van het Heilig Graf genaamd, ontstaat in 1114 te Jeruzalem. De nieuwe orde groeide snel uit en bezat spoedig verschillende nederzettingen in het Heilig Land. Na verdrijving van de Christelijke ridderorden in het Heilig Land door de Islamitische overheersing in 1192 verspreidde de orde zich over Europa, zich voornamelijk wijdend aan de verzorging van zieken en aan het organiseren van bedevaarten naar het Heilig Land want die bleven toegestaan mits onder begeleiding. Nauwe contacten die er vanouds al waren met de Johannieter Orde bleven daarbij bestaan en beide orden werden in 1489 door Paus Innocentius VIII officieel verenigd. De Orden bestaan momenteel nog steeds!

De Culemborgse heer Jan IV, die evenals zovele in die tijd, een bedevaart naar het H. Land gemaakt had en daar in de H. Grafbasiliek tot ridder was geslagen, schonk in 1430 de aan de Zandstraat geleden hof “daer ‘t H.Graf eerst geset wordt” aan de Sepulchrijner Orde. Deze hof besloeg de landerijen tussen de Zandstraat en de kloosterstraat met als noordelijke grens het riviertje de Recumer. (die later werd omgevormd tot Klooster- of Duikersloot)

Spoedig na 1430 werd met de bouw van een klooster in de hof begonnen, dat de naam kreeg “Convent Jerusalem”. Het kloostercomplex bestond uit een aantal flinke gebouwen, die aan drie zijden van een vierkante tuin gerangschikt waren. In 1492 komt de grote kapel klaar. De afbeelding of kopie van het Heilig. Graf wordt in deze kapel geplaatst.

Sinds de Kruistochten was het maken van een bedevaart naar het H. Land, zowel voor de burgers als voor de adel geen bijzonderheid. Om het bezoek aan de H.Plaatsen te bevorderen organiseerden onder andere de Sepulchrynen geordende bedevaarten naar Palestina. Had er zich een groep gevormd, die de moeilijke tocht naar het H.Land wilden maken, dan kwamen de deelnemers op de vertrekdag goed uitgerust voor de lange reis, in de kloosterkerk bijeen. Zij werden daar met een plechtige dienst uitgeleide gedaan, gedurende welke aan iedere pelgrim een palmtak werd uitgereikt. Na de dienst werden zij in feestelijke processie buiten de stad gebracht, waar afscheid werd genomen van familie en bekenden en de moeizame tocht begon. In de 15e en 16e eeuw reisde men door Henegouwe, Champagne, Bourgondie en Savoye, over de Alpen naar Venetië te voet. Des nachts logeerde men in de kloosters en gasthuizen, die langs de grote weg naar het H. Land verspreid lagen. Te Venetië was het gewoonlijk acht dagen wachten op de toestemming van de Paus voor de verdere reis, want zonder pauselijk verlof mocht in de 15e eeuw geen pelgrimage naar Palestina ondernomen worden. Deze kerkelijke maatregel vond zijn oorzaak in de afpersing van bemiddelde pelgrims door de Turken. Wie op eigen verantwoording naar het H.Land trok, hetzij uit strijdlust, hetzij uit overdragen boetvaardigheid, werd geacht ongehoorzaam te zijn aan de voorschriften van de Katholieke Kerk en kwaad te doen in plaats van het goede, dat hij beoogde.
Te Venetië scheepten de pelgrims zich in, om mits zonder tegenspoed, een maand later in de haven van Jaffa te ontschepen. Van deze havenplaats uit zetten zij dan de reis op ezels voort naar Jeruzalem, waar de pelgrims gewoonlijk 12 dagen doorbrachten met bezoeken in vroom gebed aan de H.Plaatsen.

Daarna werd teruggekeerd langs de zelfde weg die men gekomen was. Hoe de teruggekeerde Jerusalempelgrims door de Sepulchrynen werden verwelkomd, beschrijft ons een Utrechtse Jerusalembroeder als volgt: ‘’Naerdat de heylige Ghemeynte met het Cruys Procesie wys daer is gekomen, heeft my vooral den Seer Eerweardigheden Pater Provinciael de Benedictis ghegeven ende seer vriendelyk ghegroet. Alle de confraters van Jerusalem hebben my opnieuw ghegroet ende den oudsten van dese heeft my het riedt ofte palmtak in de hand ghegeven, ende de H.Ghemeynte met het Cruys voirgaende, zyn achter de Pelgrims twee ende twee gevolght ende hebben alsoo eenen grooten omgangh gedaen door verscheyde straeten, gedurig singende totdat wy in de Kercke syn ghekomen’’. Ook in Culemborg moet dit zo geschiedt zijn. Na de aankomst van de processie in de Jerusalemkerk werden de palmtakken van de pelgrims aan de muur opgehangen om daar in de kapel bewaard te blijven. Tijdens de kerkelijke dienst werden de pelgrims plechtig in de Jerusalembroederschap opgenomen en kreeg het recht bij kerkelijke plechtigheden een wit koorhemd met paars Jerusalemkruis op de rechterschouder geborduurd te dragen.

De Jerusalembroederschap bestond niet enkel uit mannen, ook vrouwen konden lid worden en verschillende vooraanstaande geestelijken komen onder de leden voor. De adellijke personen, die aan zo’n pelgrimstocht deelnamen, zwoeren op het H.Graf te Jerusalem hun trouw op de Ridderformule, die luidde: Verdedigt Uw stryders, laat den koopman met rust, voert Uw zwaard volgens rechtvaardigheid, beschermt de weduwen en wezen, dan is het recht aan Uw zyde. ‘’Zij ontvingen ten bewijze van hun eed de ridderslag en werden na hun behouden terugkeer in de Ridderorde der Johannieters, ook wel Ridders (of edelvrouwe!)van het H.Graf genoemd, opgenomen.

Halverwege de zestiende eeuw begint er zoals op zovele plaatsen in Europa ook in Culemborg een woelige tijd. “De algemene vervlakking der godsdienst en de verslapping der kerkelyke tucht treden sterk aan het daglicht. Hoewel geen feiten bekend zijn, zal deze vrij algemene tijdgeest ook het klooster niet onberoerd gelaten hebben. De Nieuwe Leer krijgt steeds meer aanhangers, die met den dag meer vrijmoedig worden”. Verschillende invloeden, zowel van godsdienstige als politieke aard hebben de gemoederen van de Culemborgse burgerij tot kookpunt verhit. Graaf Floris gaat openlijk tot de Nieuwe Leer over. In september 1566 breekt ook in Culemborg de beeldenstorm los.

Langzaamaan wordt het oude verlaten klooster rondom geheel door particuliere woonhuizen ingesloten.

Tegen het einde van 1600 stort het al bouwvallige hoogkoor met de toren in. De stad verkoopt nu de kerkgrond met ruïne van het voormalige kloostercomplex aan een particulier die de bouwresten inricht tot boerenschuur en stal. Het verval gaat verder en historicus Voet van Oudheusden schrijft:

Dit heerlyk Gesticht is nu, door het afbreeken van ’t geen er nog overig was, in den Jaere 1749 ten enemael verdweenen. Jammer is het van zulk een sterk en vast gebouw en met groote jammer zag ik de ruine in den Jaere 1750. Het is te beklaegen, dat diergelyke oude Gedenkteekens dus uit het oog, en door den tyd, uit het gehuege weggenomen worden. Doch het schynt aan deze eeuw eigen, al wat naar oudheit smaekt te vernielen. De sloop van het klooster is grondig geweest, zelfs de zandlagen van de funderingen zijn opgeruimd. Slechts puinsleuven geven nog de plaats aan, waar eens de muren stonden. De boerenschuur, waarin gevelgedeelten van de kloosterruïne waren benut bleef echter bewaard. Zij vormen nu een stukje religieus erfgoed, een klein restant van het eens zo machtige klooster. Als onderdeel van een schuur waarin nu een atelier voor beeldend kunstenaars zijn de resten nog herkenbaar en voorlopig veiliggesteld. Op de plaats waar eens het heilige hoogaltaar van de broederschap stond, vonden we tot voor kort een Marokkaanse coffeeshop.

André Hoek, erfgoedarchitect BNA-AIA

Foto's gemaakt door Huub van Beurden