thumbnail voor de ANWB prijs Met de boeken over schilderijen als  “De spreekwoorden” en “De kinderspelen” van Pieter Bruegel (1525- 1569) is een flinke boekenplank te vullen. Ze bevatten beide een groot aantal kleine scènes, waarvan de betekenis niet altijd zonder meer duidelijk is. In de loop van de tijd zijn veel hypotheses over die schilderijen als geheel en over de details geopperd.  Die veelheid van interpretatiemogelijkheden is op zich al opmerkelijk. Vermoedelijk hadden ze ook voor zijn tijdgenoten een dubbele bodem.

In deze lezing vertel ik eerst een en ander over de tijd van Bruegel, over zijn leven en over ander werk van zijn hand. Hij leefde in de turbulente periode voor en tijdens het begin van de tachtigjarige oorlog. Sommigen zien zijn schilderijen dan ook als politieke prenten.

We gaan onderdelen van het schilderij “De Spreekwoorden” een voor een bekijken. U wordt uitgenodigd mee te raden welk spreekwoord het uitbeeldt. Soms is dat makkelijk, maar er zijn ook zegswijzen bij die wij niet meer zo gebruiken. Soms verschillen de geleerden van mening wat Bruegel bedoelde. Als het van pas komt vergelijken we het werk van Bruegel met dat van andere schilders of horen we wat er in die tijd over de afgebeelde situaties nog meer te zeggen was.

Pieter Brueghel de Jongere

schilderij van bruegel

(Brussel ca 1564 - Antwerpen ca 1638)

Een denkbeeldig dorp waar het wemelt van de mensen en dieren. Elke scène verbeeldt een Oudnederlands (of Vlaams) spreekwoord. Meer dan zeventig spreekwoorden zijn in het schilderij te vinden. Brueghel laat met dit schilderij zien hoe het niet moet: hij toont de verkeerde wereld (zie nummer 39). Pieter Brueghel kopieerde het schilderij van zijn vader: Pieter Brueghel de Oude.
De familie Brueghel maakte veel versies van deze voorstelling. Blijkbaar was het een veelgevraagd onderwerp.

plaatsen van spreekwoorden op schilderij van bruegel

  1. het beste grietje dat men vond, was zij die de duivel op een kussen bond wordt gezegd van iemand die flink is en iedereen klein krijgt
  2. een pilarenbijter: een huichelaar of schijnheilige
  3. vuur in de ene hand dragen, en water in de andere: onoprecht of dubbelhartig zijn
  4. de haring braden om de rog of kuit: klaplopen, zijn geld verkwisten
  5. tussen twee stoelen in de as zitten: geen van twee. mogelijkheden of kansen weten te gebruiken en daardoor in een benarde positie komen
  6. de hond in de pot vinden: komen als het eten op is
  7. het varken trekt de tap uit: het is met tappen gedaan, of: de zaken van de waard gaan slecht
  8. met het hoofd tegen de muur lopen: zijn zin trachten door te drijven tegen het onmogelijke in
  9. de één scheert de schapen, de ander de varkens: de één heeft de wol (voordeel), de ander waardeloos varkenshaar (nadeel)
  10. de kat de bel aanbinden: de eerste stap doen om een gevaarlijk plan tot uitvoering te brengen
  11. daar hangt de schaar uit: het is er duur, men wordt er van zijn geld beroofd
  12. aan één been knagen: werken aan iets dat veel inspanning vraagt, maar niets oplevert
  13. ongelegde eieren zijn onzekere kuikens: iets waarvan het nog heel onzeker is of het plaats zal hebben of: iemand het ei uit zijn gat vragen alles willen weten; onbescheiden vragen stellen
  14. hij draagt de dag met manden uit: hij verkwist zijn tijd
  15. voor de duivel een kaars aansteken: trachten overal vrienden te krijgen
  16. bij de duivel te biecht gaan: zijn geheimen toevertrouwen aan een onbetrouwbaar mens
  17. een oorblazer: een kwaadspreker, opruier
  18. de één rokkent wat de ander spint: de één ontwerpt een boos plan, dat door de ander wordt uitgevoerd; 'rokken’ is vlas of wol op een spinstok winden
  19. zij hangt haar man de blauwe huik om: ze bedriegt hem; een 'huik’ is een lange mouwloze mantel
  20. als het kalf verdronken is dempt men de put: de fout herstellen als het te laat is
  21. men moet zich krommen wil men door de wereld kommen: om iets te bereiken moet men moeite doen
  22. rozen voor varkens werpen: geschenken of goede raad verspillen aan hen die dat niet waard zijn
  23. het varken is door de buik gestoken: de zaak is vooraf bedisseld
  24. twee honden aan één been komen zelden overeen: twee die hetzelfde willen, maar er met elkaar om ruziïn
  25. de vos en de kraan hebben elkaar te gast: de bedrieger bedrogen
  26. het is gezond in het vuur te pissen: het is goed om heftigheid te kalmeren of: zijn vuur is uitgepist er zit geen fut meer in
  27. hij laat de wereld op zijn duim draaien: hij is machtig
  28. een spaak in het wiel steken: de voortgang belemmeren
  29. die zijn pap stort, kan die niet allemaal weer oprapen: eenmaal aangerichte schade kan niet meer worden hersteld
  30. hij zoekt het bijltje: hij zoekt ruzie
  31. hij weet nauwelijks van het ene brood tot het andere te geraken: hij kan nauwelijks rondkomen
  32. zij trekken om het langste eind: zij proberen er alletwee voordeel uit te halen
  33. wijder gapen dan de oven: een grote mond opzetten; spreken zonder aangehoord te worden
  34. onze heer een vlassen baard aandoen: huichelen, God bedriegen
  35. in zijn eigen licht zitten: zijn eigen zaak doen mislukken
  36. zij raapt het kippenei en laat het ganzenei lopen: zij gebruikt het kleine en verwaarloost het grote
  37. hij is door de mand gevallen: hij heeft moeten bekennen
  38. op hete kolen zitten: ongeduldig zijn
  39. de verkeerde wereld: alles staat op zijn kop; het kruis aan de wereldbol hangt omlaag
  40. op de wereld schijten: er maling aan hebben
  41. de gekken krijgen de kaart: het geluk is met de dwazen
  42. elkaar bij de neus nemen: elkaar bedriegen
  43. iets door de vingers zien: iets oogluikend toelaten
  44. onder de bezem getrouwd: ongehuwd samenleven
  45. de bezem uitsteken: feestvieren
  46. daar groeien vlaaien op het dak: daar leeft men in overvloed
  47. tegen de maan pissen: volgens volksgeloof brengt dit ongeluk
  48. dat zijn twee hoofden onder een kaproen: zij zijn het met elkaar eens; een 'kaproen’ is een soort muts
  49. gekscheren: spotten
  50. achter het net vissen: te laat komen en zijn kans voorbij laten gaan
  51. er zijn gat aan afvegen: er maling aan hebben
  52. van de os op de ezel springen: wispelturig zijn
  53. op de kaak spelen: zich onrechtmatig iets toe-eigenen
  54. zijn pijlen verschieten: zijn krachten verspillen; zijn geld uitgeven
  55. waar het hek open is, lopen de varkens in het koren: door slordigheid gaat het fout
  56. hij hangt de huik naar de wind: hij verandert van partij wanneer dat voordeel oplevert; een huik is een lange mouwloze mantel
  57. zij kijkt naar de ooievaar: zij is lui of zij verwacht een kind
  58. koren in de wind wannen: nutteloos werk doen; een 'wan’ is een grote platte mand die gebruikt wordt om het koren van het kaf te scheiden
  59. grote vissen verslinden de kleine: machtigen verdrukken de zwakken
  60. hij kan de zon niet in het water zien schijnen: hij is afgunstig
  61. tegen de stroom inzwemmen: ondanks tegenstand zijn doel willen bereiken
  62. een aal bij de staart hebben: dingen doen die mislukken
  63. van andermans leer is het goed riemen snijden: het is gemakkelijk met kwistige hand om te gaan met spullen van een ander
  64. de kap over de haag werpen: zijn klooster of beroep vaarwel zeggen
  65. zijn geld in het water werpen, zijn geld verspillen
  66. zij schijten alletwee door één gat: ze zijn het met elkaar eens
  67. twee vliegen in één klap vangen: twee voordelen ineens behalen; twee zaken in één moeite afdoen
  68. waar rook is, is vuur: niets is zonder oorzaak; er gaat geen praatje of er is iets van waar of: terwijl de één zijn huis brandt, warmt de ander zijn handen de één profiteert van het ongeluk van de ander
  69. wilde beren zijn bij de ander gheeren: zelfs wilde beren behandelen hun wijfje zacht
  70. wie weet waar omme de ganzen bervoets gaan?: hierom, daarom gaan de ganzen bervoets alles heeft zijn reden
  71. een oogje in het zeil houden: toezien dat er niets misgaat
  72. hij beschijt de galg: hij trotseert de galg