Enkele kilometers westelijk van de historische binnenstad van Culemborg ligt Parijsch, een omvangrijke nieuwbouwwijk in aanbouw. De wijk Parijsch is vernoemd naar het middeleeuwse ontginningsblok met dezelfde naam. Sinds midden jaren negentig van de vorige eeuw, toen de nieuwbouwplannen geleidelijk aan vorm begonnen te krijgen, is dit gebied in het vizier gekomen van archeologische onderzoekers. Na enkele boorcampagnes, uitgevoerd in het kader van Cultuurhistorische Effectrapportages, is de afgelopen jaren op diverse locaties gravend veldwerk uitgevoerd, waaronder de definitieve opgraving van vindplaats 6 in het deelgebied Parijsch-Zuid. Deze vindplaats is in 2011 als ‘behoudenswaardig’ aangemerkt vanwege de veelbelovende nederzettingssporen uit de periode vroege bronstijd tot vroege ijzertijd die vanaf enkele centimeters onder het maaiveld al tevoorschijn kwamen. De opgraving van vindplaats 6 concentreerde zich met name op de zone parallel aan en direct ten oosten van waterplas De Lokkershoek. De zuidelijke grens vormt de Rietveldseweg, de Laan naar Parijsch vormt de oostgrens. In het noorden neemt de ijzertijd-bewoningsconcentratie voorbij de Lokkerhoek geleidelijk aan af. In totaal is 2,72 hectare vlakdekkend opgegraven.

Culemborg Hoge Prijs ligt op de meest noordwestelijke tak van de Schoonrewoerdse stroomgordel (actieve fase 3370-2015 v.Chr.), een hoger gelegen rug die zich duidelijk aftekent ten opzichte van het omliggende land en een van de belangrijkste fossiele rivieren in het gebied is geweest, getuige de langdurige en intensieve bewoning. Gelet op de pollenanalyse zijn er al aanwijzingen voor bewoning in het laat neolithicum/begin vroege bronstijd. Dit wordt bevestigd door de vondst van enkele klokbekerscherven als bijmenging in jongere sporen. In de vroege bronstijd is het toenmalige loopvlak geërodeerd. Dit heeft gezorgd voor het verdwijnen van de bewoningssporen. Hoewel ook sporen van een inheems-Romeinse nederzetting zijn aangesneden en elfde- en twaalfde-eeuwse ontginningssporen van de nederzetting Parijsch zijn opgetekend, is nadrukkelijk ingezoomd op de bewoning uit de bronstijd-ijzertijd. Deze is te onderscheiden in drie fasen.

De oudste sporen die gedocumenteerd konden worden, dateren uit de midden of late bronstijd. Het gaat om de sporen van een hekwerk dat diende om de hogere delen van de stroomrug te scheiden van de lagere delen. Daarnaast werden acht ronde structuren gevonden die mogelijk gefungeerd hebben voor de opslag van gewassen. Parallellen zijn vooralsnog alleen bekend in West-Friesland. Naast enkele greppels zijn tot slot ook de restanten van een kringgreppel (13,8 meter in doorsnee] blootgelegd. Dit grafmonument wordt vooralsnog in de midden-bronstijd geplaatst. De bügelplattenfibula die vlak bij het monument werd gevonden, lijkt een nabijzetting uit de late bronstijd.

De oudste bewoningssporen van fase 2 dateren in de periode van 725/700 tot 650/625 voor Christus. Er zijn met zekerheid drie huisplattegronden gevonden: relatief korte woonstalhuizen (driebeukig) met een langer staldeel en een kort woondeel, gescheiden door tegenover elkaar liggende ingangen in de lange wanden. Rond de huizen liggen drie tot vijf spiekers. Van één van de huizen is de erfbegrenzing bekend, een rij palen aan de noordzijde. Tevens zijn hier een waterput en waterkuil teruggevonden. Een stuk elzenhout met uitstekende takaanzet heeft waarschijnlijk als ladder gefungeerd. In de waterput is een deel van een menselijke schedel teruggevonden. De schedel lijkt moedwillig te zijn gedeponeerd. De inventaris bestond onder andere uit spinklossen, weefgewichten, maalstenen, slijpstenen, klop- en kookstenen en zoutgootjes. Bij één huis is een crematiegraf type C1 zonder bijgiften gevonden. Ten noorden van twee andere huizen ligt een cluster kuilen, greppels en spiekers met enkele concentraties van vondsten, mogelijk verlatingsdepots. Een opmerkelijke concentratie betreft een ondiepe kuil met geweistangen van edelhert. Tussen de geweien lag een stapel grote scherven.

Het onderzoek laat een duidelijke overgang zien in de periode 500 voor Christus, als onder invloed van crevassevorming het leefgebied aanzienlijk verandert na een periode van relatieve rust. Op basis van de oriëntatie is één van de huizen nog toe te schrijven aan fase 2, terwijl het typologisch meer thuishoort op de overgang midden en late ijzertijd. De structuur van de nederzetting verandert pas rond 400 voor Christus. Het enige gebouw met meer oost-west oriëntatie is een drie- of vierbeukig huis, verwant met het type Maanen, dat vaker voorkomt in de nabijgelegen Utrechtse Rijnstreek. De materiële cultuur uit deze fase wijkt niet wezenlijk af van de vroege ijzertijd. Nieuw zijn maalstenen van tefriet en slingerkogels. Metaalvondsten, toe te schrijven aan deze periode, ontbreken. De opeenvolgende bewoningsperioden van Culemborg Hoge Prijs (een verbastering van het vroegere Parijsch) houdt zich in grote lijnen aan de ontwikkelingen in het deltagebied. We zien een toename van de bevolking aan het einde van de bronstijd en het begin van de ijzertijd. Naarmate de tijd vordert schuift het bewoningsareaal in westelijke richting op, naar de hogere delen van de stroomgordel. Dit gaat door tot in de Romeinse tijd waar de kern van de nederzetting ter hoogte van de inmiddels tot waterplas omgevormde Lokkershoek gezocht moet worden.

Sinds de opgraving van 2012 zijn nog enkele vindplaatsen in Parijsch-Zuid onderzocht. Hiervan zijn de noordelijker gelegen vindplaats 45 (laat neolithicum-bronstijd] en de meer oostelijk gelegen vindplaats 8 (vroeg-midden bronstijd) het meest interessant. De resultaten zullen de komende jaren gepubliceerd worden en leveren een schat aan nieuwe informatie op over de prehistorische bewoning op de Schoonrewoerdse stroomgordel.

Huib Jan van Oort