Alles over de geschiedenis van Culemborgse zaken, maar ook over Hoogstraten en Werth waar Culemborg als Graafschap mee was gelieerd.

Achter in het Culemborgse veld, in het laag gelegen polderblok De Lange Avantuur, verheft zich met een flauwe glooiing een klein heuveltje in het terrein.

In het onderstaande vindt de lezer een overzicht van circa 30 publicaties die de heer Beltjes op zijn naam heeft staan. Opgenomen zijn hier de werken en artikelen over de geschiedenis van Culemborg

Mr. P.J.W. Beltjes, geboren 2 mei 1914, is een echte Kuilenburger, en is dat gebleven, ook al woont hij al meer dan 40 jaar in Arnhem.

Een bijzonder nummer van de 'Voet-noten', een dubbelnummer zelfs, gevuld met zeven interessante artikelen ligt voor u.

Tot in het begin van deze eeuw hadden landbouwers te maken met een eeuwenoude "aanslag" op hun inkomsten, namelijk de tienden.(1) Deze tienden waren zakelijke lasten

Culemborg vierde al eerder zijn stadsrecht. In 1968-1969 gebeurde dat met een feest jaar vol activiteiten. De officiële opening van het feest jaar 'Culemborg 650 jaar

Het heeft betrekkelijk lang geduurd voor het tussen Gelders en Neder-stichts gebied in gelegen Buren als zelfstandige heerschappij in de bronnen opdook. Als we afzien van het niet geheel sagenvrije stichtingsverhaal van het Twentse klooster Weerselo uit

Vragen naar de middeleeuwse ontginnningsgeschiedenis van Culemborg

In het begin van de jaren '50 werden twee belangrijke artikelen over de vroege geschiedenis van de streek rond Culemborg gepubliceerd.

Culemborgs oudste geschiedenis is in nevelen gehuld. Een eerste van Bosinchem, Hubertus, vinden we in 1191 (1) genoemd. De naam 'Kulenburg' zelf duikt pas 90 jaar later, in 1281,

Culemborg viert bescheiden zijn 675 jarig stadsrecht. In 1968 was soberheid ook het motto. Culemborg vierde toen 'Culemborg 650 jaar en 100 jaar spoorbrug', een heel jaar lang, met diverse activiteiten.

Geachte aanwezigen, leden van "Voet",

graag heet ik u, vandaag 10 juli, mede namens het Gemeentebestuur van Culemborg, hartelijk welkom op deze door het historisch genootschap A.W.K. Voet van Oudheusden georganiseerde culturele middag.

agendaeigene-1.jpg

HET EIGENE VAN CULEMBORG 1318 - 1993

Zaterdag 10 juli 1993 van 14.00 tot 17.00 uur

VRIJE INLOOP Zaal open : 13.30 uur

'Zo kraait den boer z'n haantje', ofwel het Culemborgse volkslied, kennen vooral de echte Kuilenburgers nog.

Het onderstaande artikel is een van twee artikelen waarin de auteur in 1952 Culemborgs bevolking analyseert, in getal en samenstelling, dan en in de voorgaande tijd.

Dat uitstel geen afstel betekent, toonden de leden van Voet door een bezoek dat de Waldeckischer Geschichtsverein in 1989 aan Culemborg had gebracht, in oktober 1992 te beantwoorden. De lange voorbereiding

VONDST EN VINDPLAATS

Enige jaren geleden werden tijdens het uitgraven van de tuin van het huis dat nu bekend staat als het "Huys mitter Hofstadt", op de hoek van de Everwijnstraat en het Hof, enige interessante glasscherven gevonden.

De Raadplaat uit Voetnoot 7

Wie helpt ons aan informatie over dit raadselachtige plekje van de 'grote Europese stad Culemborg'??

Deze vraag staat open sinds 1992....

Wie zich de moeite getroost bij een bezoek aan ons museum, een kijkje te nemen in de fraaie tuin van het Weeshuis, zal kort bij de muur van het gebouw een lange oude kanonsloop zien liggen.

Spoorboekjes en telefoongidsen komen doorgaans terecht bij oud papier. Wel verschilt de snelheid waarmee ze verouderen. Een spoorboekje is eigenlijk al het volgende jaar niet meer bruikbaar, een telefoongids kan iets langer mee, maar is

Koningin Beatrix bezocht op 30 april 1991 Culemborg en Buren. De directe band tussen het graafschap Culemborg en het vorstenhuis van Oranje dateert van het jaar 1748. Stadhouder Willem IV werd toen ingehuldigd als nieuwe souverein. Zijn bewind bracht een 'bevrijding' van het regime van de Staten van het Kwartier van Nijmegen, die het graafschap in 1720 van de laatste Duitse vorst hadden gekocht en hadden uitgeknepen.

Ruim 50 jaar gelden, in 1938, vierde men in Culemborg het veertigjarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina met de opvoering van een historisch spel dat de inhuldiging van de eerste Oranje als graaf van Culemborg deed herleven. In de Culemborgse Courant van 27 augustus verscheen toen het onderstaande artikel van Mr. Leendert Sillevis (1889-1971), waarin hij lijnen trekt door enkele eeuwen Culemborgse en Nederlandse geschiedenis. Het artikel is licht bewerkt. Sillevis was de eerste voorzitter van ons genootschap en in 1928 de eerste secretaris van de Oudheidkamer. Hij schreef tal van artikelen over de Culemborgse geschiedenis (l).(red.)

door mr L. Sillevis

Geen oorlog naar onze begrippen

De Tachtigjarige Oorlog. Men moet hem zich vooral niet voorstellen als heel Nederland gemobiliseerd. Er was nog geen Nederland. Er waren Nederlanden - op zijn minst zoveel, als er nu in België en Nederland samen provincies zijn - die het helemaal niet met elkaar eens waren, maar wel gezamenlijke grieven hadden tegen een Koning .... niet van Nederland, maar van Spanje, een koning die toevallig tevens vorst in al deze kleine staatjes was en waarvan hij wilde maken, wat het ten slotte ook is geworden: één land. Bij dit streven kon Filips II geen geloofsverdeeldheid gebruiken en geen eerbiediging van dit, voor al deze kleine zelfstandigen dierbaarste bezit: hun duizend en één diverse privilegiën.

Spaanse garnizoenen - een uit eigen middelen bekostigd pistool op de eigen borst gericht - geloofsvervolging, oorlogen - dus winstderving voor doeleinden, die men hier geen oorlog waard kon achten -, maatregelarij door niet hier geboren machthebbers, met verkrachting van aloude rechten ..... uit dat alles werd deze Tachtigjarige Oorlog, waarin maatschappelijke desperado's, de Geuzen, ter zee hebben gevochten .... en Duitse, Schotse en Waalse huurlingen te land.

De burgerijen der steden kozen partij en betaalden de strijd. Vechten, maar dan ook als leeuwen, ze hebben het alleen gedaan, zodra Don Frederik, Spinola of Mendoza, het beleg voor hun eigen muren sloeg. Het landvolk heeft alleen .... geleden, is onder water gezet en gebrandschat, eindeloos gedwongen tot schansgraven en het afgeven van voertuigen en oogst.

Zo is in de aanvang deze Vrijheidsoorlog hoegenaamd geen oorlog naar onze begrippen, maar een dan hier, dan daar heftig opvlammende opstand vol wreedheid en uitspattingen, vol persoonlijke en collectieve heldenmoed, onmiddelijk naast de platste uitgerekendheid; een relletje van de adel tegen Granvelle, een van zuid naar noord over deze landen strijkende beeldenstorm onder de heffe des volks, een vrijwel algemeen en vastberaden verzet tegen muitende en plunderende garnizoenen over heel huidig Nederland en België, en een in elkaar schrompelen van de weerstand tot een kleine kern van principieel verzet binnen Holland en Zeeland, in weinig meer dan de tien eerste jaren.

De tuin gesloten

De gemiddelde tijdgenoot heeft er luttel lijn in kunnen bekijken. Maar één man, gesteund door een zeer beperkte kring van naaste medwerkers, voelt, meer dan hij weet, waar het heengaat en vindt telkens de juiste weg, zij het ook een weg met duizend kronkels, onder vallen en opstaan afgelegd, hij, de ziel van die kleine kern van vastberadenen in Holland en Zeeland, Prins Willem van Oranje. Als hij valt in 1584, staan de zaken vrij wanhopig en de toestand blijft hachelijk tot in 1588 de Staten der zeven in de Unie van Utrecht verenigde gewesten het aandurven zichzelf, als regeringen van kleine republieken, te bekleden met een souvereiniteit, die men in '81 reeds aan Filips had ontzegd. Zij stellen hun vertrouwen, hier in het centrum, in de zoon van de Zwijger, Maurits, en in het noorden, in zijn neef Willem Lodewijk, en deze twee nog baardeloze jonge soldaten, geruggesteund door het staatsmansinzicht en de rijpe ervaring van een Oldenbarneveld, hebben weer slechts weinig meer dan tien jaren nodig, niettegenstaande het geducht partij geven van een man als Parma, om voor de jonge statenbond een hechte materiële grondslag te bevechten: De "tuin" om de Zeven gewesten wordt gesloten en Spanje, ten zuiden van Maas, Waal en Schelde teruggedrongen, moet toestemmen in een Bestand, een wapenstilstand om op adem te komen.

Moorddadige godsdiensttwisten tijdens dit twaalfjarig intermezzo, culminerend in Oldenbarnevelds tragisch einde, kunnen niet beletten, evenmin als Maurits' dood kort daarop, dat een jonge mogendheid zich consolideert in de lage landen aan de zee, tot verbazing van een daarvan overtuigd gerakend Europa. Een nieuwe Oranje, Frederik Hendrik, "mooy Heyntjen", een zoveel zonniger figuur, met zijn Franse cultuur, zijn knappe populaire vrouw en zijn bloeiend jong gezin, dan de sombere zoon van Anna van Saksen, blijkt klaar te staan om met talent op zijn eigen manier zijn halfbroers werk af te maken.

Het wordt nu meer een oorlog naar onze begrippen, verband houdend met de bange dertig-jarige godsdienstkrijg in Duitsland, een kampen om de afronding van grenzen en een voordelige eindstand, ter inleiding van een gunstige vrede, maar er worden stoute zetten gedaan op dit schaakbord: het gevaar van verrassende invallen blijft acuut en de vrede, eindelijk gesloten te Munster in 1648, schenkt een diepe verademing.

De Republiek der zeven Geünieerde Provinciën staat overwinnend voor de ogen van de buitenlandse tijdgenoot: een grote koloniserende koopmansnatie, die Spanje te sterk is gebleken. Men kan het ook binnenlands nauwelijks verwerken. Vraag de calvinist uit de brede lagen des volks, zoon of kleinzoon van de mannen uit de eerste jaren van openlijk verzet, wie dit wonder heeft gewrocht. Hij zal wijzen op God en naast God, op Oranje.

Buiten de Unie

Vragen wij ons af of Culemborg een grote rol bij deze gebeurtenissen heeft gespeeld, dan moeten wij ontkennend antwoorden. Zijn eerste graaf, die als jong edelman nog onder Filips tegen Frankrijk heeft gevochten, zoals zijn laat middeleeuwse voorvaderen plachten te doen, heeft zich persoonlijk geroerd in het verbond der edelen én - helaas -als beeldenstormer. Floris II van Pallandt (1577-1639), tweede graaf van Culemborg. (foto K. v.d. Kar) Hij is uitgeweken geweest, zijn goederen zijn onder bewind geplaatst. De stad heeft schattingen opgebracht en zware garnizoenen onderhouden, tijdens zijn afwezigheid en daarna, zij heeft geleden in haar handel en bedrijf, maar is lijdelijk gebleven. Zoals de Graaf zelf zich terugtrok na zijn wederkeer uit de ballingschap.

Maar op de vraag of de vrede ook haar lucht gaf en of men te Culemborg de algemene gevoelens deelde ten aanzien van Oranje, mogen wij ja zeggen. Haar burgerij kon niet helpen, dat de beide graven uit het geslacht van Pallandt ons huidig begrip van een vaderland vreemd bleef; dat zij slechts de belangen van hun Huis zagen en voor ons gevoel veel te opportunistisch dienden tegenover, wat wij zo graag zouden zien als vriend en vijand, zodat zij b.v. hun graafschap buiten de Unie hielden. Doch de burgers hadden genoeg angstige nachten doorwaakt op hun wallen, als Parma's vermetele kolonnes de Veluwe afliepen tot in het Sticht en eens zelfs nog verder. Zij wisten, wat het betekende dat jarenlang het front lag over de rivierforten Sint Andries en Crévecoeur met de vesting Bommel in de tweede linie, tot eindelijk in 1629 Den Bosch was gevallen.

Zij wisten, dat het Frederik Hendrik was geweest, die het had genomen, ruim van geld voorzien uit Piet Heins prijs, de zilvervloot. En nog een belangrijk punt, zij kenden hun Graaf Floris II als afgevaardigde ter Staten Generaal voor de Geldersche ridderschap, als vermaarde Haagse figuur, die aan het stadhouderlijke hof verkeerde en kleindochters van de Zwijger, de Winterkoning en zijn kinderen en al wat verder aan bekende personages in de hoogste kringen krioelde, als huisvrienden te logeren kreeg.

Zij gingen hun Van Riebeecks en Van Diemens afstaan voor de vestiging van Nederlands koloniale grootheid. Zij zagen Floris' opvolger, Filips Theodoor van Waldeck als militair in Staatse dienst, met zijn grootvader, de graaf van Nassau-Dietz, een nog nader medewerker van de Stedendwinger, door hun straten rijden en hebben heel goed begrepen, dat de landsheerlijke tijd met Vrouwe Elisabeth begraven was; ciat men voortaan in de Nederlanden nog slechts groot kon zijn met en dank zij Hare Hoogmogenden, de Staten-Generaal, te 's Gravenhage.

Wankel bouwsel

Hoe broos is nog de positie dergenen, die men zeer oneigenlijk "stadhouders", d.i. plaatsvervangers van de Souverein blijft noemen. Eén misslag van de wel onbesuisde Willem II, één onherstelbare breuk met Amsterdam is voldoende om het stadhouderschap in diskrediet te brengen en de machtige regenten der Hollandse steden te doen geloven, dat het nodig is de jong wees geworden kleinzoon van Frederik Hendrik als Kind van Staat te doen opvoeden tot een gehoorzaam dienaar, die zal leren regerende-vorsten-allures na te laten, terwijl intussen een stadhouderloos Holland en Zeeland onder De Witts geniale leiding, de Republiek opstuwen tot een grote mogendheid van de eerste rang.

Dan stort plotseling in 1672 een wankel bouwsel van bondgenootschappen in elkaar, de almachtige Raadpensionaris komt ten val en het gepeupel vermoordt hem, zonder vorm van proces, op het "groene zoodje", waar nu zijn standbeeld staat. De republiek, middelerwijl besprongen door haar grote rivalen, Engeland en Frankrijk en hun gekochte kleine bondgenooten, lijkt reddeloos. Wie zal toch haar redder zijn? "Oranje" roept het volk en weer geeft het genie van een even twintigjarige het gelijk. In twee jaren tijds staat Lodewijk XIV vrijwel alleen in de Nederlanden en is hij tot de terugtocht gedwongen.

Willem III, zwak van constitutie, maar met een diamant-harde geest, gaat een grote toekomst tegemoet als Koning van hetzelfde Engeland, waartegen Tromp en De Ruyter zo kort geleden nog wanhopig worstelden, als leider van een Europese coalitie tegen de van eigen grootheid dronken Franse Koning. Evenals van de paarden, waarmede zijn tengere gestalte vergroeid lijkt, eist hun oppermachtige leider van de Nederlanden eigenlijk te veel. Als hij sterft in 1702, toch aan de gevolgen van een val van het paard, vechten zij in uiterste krachtsinspanning de Spaanse Successie-oorlog ten einde, maar hebben bij de vrede maar één eis, waar zij niet af te brengen zijn: een "barrière" van vestigingen in de Zuidelijke Nederlanden om daar achter veilig te zijn tegen Frankrijk, want men kan niet meer!

Aan de zijde van de Koning-Stadhouder

Beleefde Culemborg iets van deze geweldige periode der vaderlandsche geschiedenis? O ja, maar veelszins pijnlijke ervaringen! Twee jaar lang houden de Fransen huis in hun "camp fortifié de Culembourg" voor de waterlinie, waar paardenmest zich voeten hoog ophoopt in de straten, boomgaarden worden gerooid voor palissaderingen, de bakkers geen tijd hebben om voor de burgerij te werken, de Roomsgezinden zich tijdelijk weer in het bezit zien gesteld van de oude Sint Barbara, de wezen uit hun behuizing worden gejaagd ten bate van gewonde vijandelijke soldaten. Is duidelijker en smadelijker demonstratie denkbaar, dat de grote politiek over het kleine onafhankelijke graafschap heenloopt?

Maar het is weer Willem III, Oranje, wiens successen elders eindelijk de bezoeking doen wijken, en het is Culemborgs graaf, Georg Fritz van Waldeck, die aan zijn zijde vecht, zijn overwinningen helpt behalen en zijn terugtochten dekken, die moeilijke diplomatieke zendingen voor hem vervult. In de stad verkoopt men kopergravures van 's Graven heldenfeiten bij Walcourt, Mevrouw de Gravinne beveelt bededagen voor zijn behoud en dankstonden voor de zegevierende wapenen der Republiek, 's Avonds vlammen door de zorgen van de Magistraat de pektonnen als vreugdevuren voor het stadhuis en hij laat omroepen of iemand misschien weet van krijgsgevangen verwanten, want er zal gelegenheid zijn ze uit te wisselen en ... zo leest de snuffelaar van thans in het publicatieboek onwillekeurig tussen de regels: men heeft toch zijn "kruiwagen", zijn eigen "frisse Fritz" daar in het grote hoofdkwartier, al is hij dan een despoot en een bedenkelijk financier, die geen verschil kent tussen stads- en privé-middelen, welke beide trouwens tamelijk verward zijn.

Vrijplaats onder knechtschap

Dat is het wat Culemborg beleeft aan het vierde kwartaal der zeventiende eeuw. Het is weinig. Het gaat hard bergafwaarts met de eens zo zelfbewuste kleine stad, in een kleine staat besloten, die nooit aan landsheerlijke expansiezucht ten offer viel en wier schippers, als ware vrachtvaarders van Europa in het klein, dank zij de contracten, door hun Heren eenmaal afgesloten, tolvrij voeren in Holland, Zeeland en het Sticht, de Rijn op tot de "hoogste markten", de zeegaten in en de kust langs tot in Antwerpen en Calais, het geel-rode geusje (de vlag - red.) van Culemborg in top of aan de gaffel.

Men eet er nu kruimels van de tafels der groten, om niet te zeggen, dat men ze afschuimt, want van de aloude fier gedragen zelfstandighed, is weinig beters meer over dan de lange neus, die bankroetiers, schakers van jonkvrouwen en duellanten maken tegen de justitiële autoriteiten der omliggende gewesten, zodra zij voet op Culemborgse bodem hebben gezet. Dan gaat er een rekestje naar de grafelijke souverein om "vrijgeleide"; dat hij verleent .... tegen gerede betaling, mits de Magistraat geen bezwaar maakt wegens vrees voor ernstige ordeverstoring of armlastigheid. En tenzij machtige benadeelden al te lange armen tonen, gelukt voor de zoveelste maal de truc: als door de justitie gesignaleerde, ongemoeid te leven in het hart der Nederlanden, in een soort asiel, te midden van een vaak talrijke kolonie lotgenoten.

Een talrijke kolonie? Inderdaad, althans in het eerste kwartaal der volgende eeuw, wanneer uit het overspannen Frankrijk der Régence verderfelijke beurspraktijken overwaaien. Heden rijk, morgen lijk, vaart men met schuiten en rijdt men op wagens naar de "vrijplaatsen", waarvan deze stad er één is. Een treurige vermaardheid en een wel zeer ongezonde bloei.

Van een vrouwenbewind na Georg Fritz gaat hoegenaamd geen enkele gezonde stimulans uit. De opvolger, Ernst Friedrich van Saksen-Hildburghausen, zit zelf op zwart zaad en het graafschap lijdt de grievend gevoelde smaad door hem te worden verkwanseld aan de Staten van het Kwartier van Nijmegen, die het hebben opgekocht zonder geestdrift, het uitzuigen als een kwade belegging, die ondanks verpletterende lasten op de gemeente, maar niet renderen wil. Zevenentwintig zwarte jaren van knechtschap voor een van haar laatste illusies beroofde burgerij, van baantjesvergeverij aan vrienden van de hoge machthebbers, ginds aan de Waal.

Nieuw idool

Baantjes, sinecures, vergeven aan de leden, over en weer, van een kleine coterie. De Republiek, ten tweede male beu van een stadhouderlijk bewind, dat de gemene zaak volgens de onttroonde regenten verwarde met zijn dynastieke belangen, beleeft na de dood van Willem III, haar Tweede Stadhouderloze tijdperk en de in hun macht herstelde regerende families zien niet en willen niet gezegd zijn, dat zij op haar beurt het gemenebest offeren aan eigen voordeel, de positie van grote mogendheid prijs gevend aan hun drang naar vrede en neutraliteit.

Maar willen zij niet, en kunnen zij ook bezwaarlijk, zich nog bemoeien met de zaken van Europa, Europa kan noch wil nalaten zich te mengen in de hunne. De Oostenrijkse successie-oorlog breekt uit en een land zonder leiding, met een grondig verwaarloosde defensie, wordt in 1747 bedreigd door een herhaling van 1672, als Frankrijk de barrière verbreekt, in de Oostenrijkse Nederlanden binnenvalt en zijn zuidelijke grenzen overschrijdt.

Weer schreeuwt een volksbeweging om Oranje en de Friese stadhouder, Willem Carel Hendrik Friso, van Maurits neef Willem Lodewijk afstammend, wordt geacht te zullen kunnen wat 85 jaren tevoren Willem III volbracht, en hij ziet zich tot erfelijk stadhouder uitgeroepen in alle zeven gewesten, in mannelijke en vrouwelijke lijn, een nagenoeg vorstelijke positie voor Willem IV.

Hij hoeft niet te tonen wat hij waard is, gelukkig. Het loopt met een sisser af, maar de spoedige vrede wordt op zijn krediet geschreven en het land ligt aan de voeten van een intelligent, welwillend, maar niet overkrachtig man, die alom als een redder wordt gevierd, bewierookt en verwend.

Vivat Oranje!

Nieuwe heren te Nijmegen, zo na met het eerste oologsgeweld bedreigd geweest, behoren tot zijn ijverigste vereerders. Hij is graaf van Buren en van Leerdam, baron van Acquoy en van Ijsselstein. Men biedt hem het graafschap Culemborg aan ter completering zijner kroonlanden in deze contreien en hij accepteert. De burgers juichen. Men zal het verre, gehate college te Nijmegen kwijt zijn als souverein. Men zal weer een lijfelijke eigen graaf hebben zoals in de ook lang niet alleszins gunstige, doch nu geïdealiseerde periode der Pallandts en Waldecks, en wat voor een graaf, 's lands afgod van het ogenblik, telg uit het altijd nog van een aureool omstraalde Huis van Oranje! In één gelukkige Latijnse regel, als randschrift gesteld om een kolossale penning, welke de verheugde stedelijke magistraat de nieuwe souverein aanbiedt, liggen alle gevoelens besloten, waarmee Willem IV hier werd ingehaald: Ontvang, o vorst, dit vroom geschenk voor de gesloten vrede!

Stadhouder Willem IV (1711-1752)werd in 1748 graaf van Culemborg. (foto K. v.d. Kar) Toen hij dit las, was hij reeds ingehuldigd in de personen zijner gedeputeerden, de 24ste oktober 1748, plechtig zoals van ouds gebruikelijk, 's Graven representanten staande met de stedelijke magistraat en het college der Culemborgse domeinraden, op de door een baldakijn van rood en goud overhuifde pui van het stadhuis, plechtig handslag gevende, terwijl een grote oranje-zijden vlag uit de hoge topgevel hing, de klokken luidden en bazuin- en hautebois-blazers "het airtjen Wilhelmus van Nassouwen" deden schallen uit de vensters der eerste verdieping. De mannelijke burgerij en de dorpers van Everdingen, Goilberdingen en Zijderveld, stonden geschaard op het halfrond van veldkeitjes-mozaiek beneden, riepen krachtig: "Ja!" op het hun voorgelezen eedsformulier en gooiden de hoeden omhoog: "Vivat Oranje!"

Vaderlijk bewind

Culemborg en Oranje. Is het goed gegaan of was de illusie van 1748 spoedig vervloden? Het doet goed te mogen getuigen, dat het natuurlijk onvolmaakt mensenwerk is gebleven, maar dat het toch een veelszins betere tijd is geweest. Willem IV is jong gestorven, kort na zijn verheffing, maar hij was de man, die tot een al te geldgierige Haagse domeinraad zou hebben gezegd: "Böhmer, Böhmer, maak het niet te bont! Scheer mijn schapen, maar vil ze niet."

Böhmer is zich blijven bemoeien met de Culemborgse zaken onder de Prinses-Gouvernante, zijn natuur meer uitlevend dan goed was, maar de Domeinraad was een serieus college en niet onintelligent, gelijk ook Willem V, tot volwassenheid gekomen, zich een buitengewoon onderlegd en ijverig man heeft getoond. Wel als stadhouder zelfs in de verte niet opgewassen tegen zijn tijd en zijn taak, maar met een open oog voor de noden van zijn eeuw. Men kon geen ijzer met handen breken, maar men heeft het goede gewild en een politiek gevoerd van verlichting der lasten en stimulering der welvaart, een vaderlijk bewind in vele opzichten, waarmee Culemborg een lange reeks van jaren niet verwend was geweest.

Zeker, de geweerfabriek, die zijn bloei zou verhogen, is een droeve mislukking geworden. Men heeft weinig plezier beleefd aan begunstigde zeepzieders en monopolisten -"fabriqueurs der gebrande wateren". Er zijn wonderlijke middelen beproefd met ondernemende lieden, die de armoe zeiden te willen verlichten door het stichten van een textielindustrie als huisnijverheid met overheidsdwang tot arbeiden, maar .... men deed althans zijn best. En wat de overheid zelf te doen had, deed zij ernstig en dikwijls met gelukkige hand. Laat ons noemen de uniformiteit, die zij door nieuwe decreten trachtte in de plaats te stellen van de hopeloze rechtsverscheidenheid in de Kroonlanden van Oranje - verworden restje der hooggeroemde privilegiën, voor wier verdediging het voorgeslacht tachtig jaren had gestreden - en haar verdraagzaamheid in de zaken van de godsdienst, welke aan Joden, Roomsen en dissidente Protestanten ten goede kwam.

Driekwart eeuw eerder

Het is de tragiek geweest van de welwillende, maar zelden besluitvaardige Willem V, voor de verhitte verbeelding van door buitenlandse literatuur duizelig gemaakte Patriotten, te staan afgeschilderd als de tiran, hoewel niets minder met zijn aard overeenkwam dan een hem toegedichte drang naar de dictatuur. Hij is smadelijk weggejaagd en een land met een verkalkt, gebrekkig staatsbestel heeft de vreemdeling ingehaald om van zijn staatkundige kwalen te worden genezen. Het heeft de roskam en de belastingschroef van de Franse overheerser tot bloedens toe ondergaan en is gelouterd weer opgestaan, eindelijk vatbaar geworden voor de gevoelens van waardering, die aan Willem V's zoon, zijn eerste Koning, waarlijk toekwamen. Het heeft ook hemzelf eerlijker leren beoordelen, te laat helaas, na zijn overlijden in de ballingschap.

Ook Culemborg heeft heethoofdige patriotten gekend, politiserend in de grote zaal van het Weeshuis voor 1795, hun stokpaarden berijdend ten stadhuize en - hoe kon het anders? - spoedig zandruiter daarna. Zijn kinderen hebben Pichegru en Napoleon ondergaan. Zijn zonen hebben meegestreden bij Quatre Bras en in de Tiendaagse Veldtocht. Het is uit de leerschool der Franse regeringstucht opgegaan als gemeente in het nationale Koninkrijk en weet niet beter meer of het is Gelders - wat het eenmaal voor geen geld wilde worden - en Nederlands - wat eens zijn uitheems en dynastiek voelende graven het niet wilden vergunnen te zijn. Dit alles is gegroeid onder vallen en opstaan, uit zweet, bloed en tranen, maar het is gewoon geworden en doet geen pijn meer. Wat ons in dagen als deze interesseert en genoegen doet, het is dat Culemborg als onderdaan en Oranje als Souverein, elkaar bijna driekwart eeuw eerder hebben gekend en hebben gewaardeerd dan aan heel Nederland en Oranje beschoren was.

Noot (red.):

(1) De Culemborgse Courant publiceerde op 29 nov. 1971, te zamen met een 'in memoriam' door G.J. Mentink, een lijst van 36 merendeels door Sillevis tussen 1926 en 1938 geschreven artikelen en boekwerkjes.

Na de topjaren 1987 en 1988 deed het historisch genootschap A.W.K. Voet van Oudheusden het in de jaren 1989 en 1990 wat rustiger aan. De activiteiten beperkten zich naast enkele 'Waldeckse perikelen'

Op 15 mei 1991 gaf onze voorzitter dr. Otto J. de Jong zijn laatste college als hoogleraar aan de Faculteit der Godsgeleerdheid

'Het was in het jaar 1882 dat het nog volop regel was dat stoelenmakers en klompenmakers 'maandag' hielden. De arbeiders verdienden niet veel, woonden in kleine huizen, droegen veelal lompen en hadden weinig behoeften. Hun enige troost was de jenever'.

Verrassend was de lezing die dhr. J.R. Mulder dinsdag 20 februari 1990 voor het historisch genootschap A.W.K. Voet van Oudheusden hield. De titel van zijn voordracht "De ontwikkeling van Culemborg en omstreken in bodem en landschap"

Monumenten en oude gebouwen hebben doorgaans grote belangstelling in Culemborg. Onze vereniging sloeg op dinsdag 18 oktober 1988 met een geslaagde lezing over dit onderwerp de spijker dan ook dubbel op de kop.

In de St. Barbaratoren aan de Markt hangen vier klokken. De drie grootsten werden in 1948 gegoten door de firma Eijsbouts te Asten.

Tot de talrijke verenigingen die in 1988 een Jubileum te vieren hadden, behoort ook de Culemborgse voetbalvereniging Vriendenschaar. Haar geschiedenis gaat terug tot het jaar 1908, nu 80 jaar geleden.

Centraal op het onderstaande kaartje ligt de rivier de Lek. Op de oeverwallen van deze rivier ontwikkelden zich in de vroege middeleeuwen de eerste nederzettingen, zoals Goilberdingen,

Wie de geschiedenis van de Koninklijke Harmonie Pieter Aafjes nagaat, ontdekt al snel dat de grote en kleine gebeurtenissen binnen die vereniging stuk voor stuk verweven zijn met de geschiedenis van de Culemborgse samenleving.

In het kader van de viering van 60 Jaar Oudheidskamer en Museum Elisabeth Weeshuis gingen de Vrienden van het museum en de vereniging Voet van Oudheusden op 5 juni

1987 is voor het genootschap "Voet van Oudheusden" een bijzonder Jaar geweest. Op woensdag 14 oktober, onze oprichtingsdatum in 1937, werd ons 50-jarig bestaan herdacht.

Woensdag, 14 oktober 1987, vierde het oudheidkundig genootschap "A.W.K. Voet van Oudheusden" dat het precies vijftig jaar geleden werd opgericht.

In het Jaar 1555 stond in Culemborg een oud kasteel van om en nabij de 300 jaar. Het zal verre van comfortabel geweest zijn, niet bepaald geschikt om er oud in te worden. Toch woonde daar toen een oude dame, Vrouwe Elisabeth, de laatste van het geslacht Culemborg, dat al honderden jaren stad en omgeving had bestuurd. Ze was toen ruim 80 Jaar.

Wapen Egmond

Twee interessante exposities zullen de meeste historisch belangstellende Culemborgers helaas grotendeels zijn ontgaan.

Het oude deel van Culemborg (binnen de grachten) heeft een opvallende driedelige plattegrond. Centraal ligt de binnenstad, het oudste stadsdeel. In 1370 werd het havenkwartier ten noorden van de binnenstad binnen de omwalling getrokken,

Alle boeken die leden van Voet hebben gedigitaliseerd staan in deze lijst. Sommige boeken zijn erg groot (50MB voor de Historische beschrijvinge van Culemborg bijvoorbeeld) dus heb enig geduld als u op een link klikt.

Onderstaand artikel is een van de eerste aan de historie van Culemborg gewijde pennevruchten van Jan Bernardus van den Ham (1859-1926). Het werd geplaatst in de Culemborgse Courant van 18 maart 1885

De namen van een negental zeevarende Culemborgers zijn bekend gebleven doordat indertijd straten naar hen zijn vernoemd in de wijk Achter de Poort. We vinden hun lotgevallen beschreven in het in 1971 verschenen boekje 'Culemborgers Overzee' van Mr. P.J.W. Beltjes,

In het thans fraai uitziende huis De Fonteyn is sinds 1985 het stadsarchief gevestigd. Het zestiende eeuwse dubbelpand verkeerde echter tot de restauratie in de jaren 1968-1971 in een armzalige staat. In 1966 werd de stichting Jan van Riebeeckhuis opgericht,

Enige jaren geleden bij het rondneuzen in de geschiedenis van de heerlijkheid van "Amstel" vond ik in het 'Urkundenbuch der Stadt Lübeck' (1) de volgende zeer interessante brief die, vertaald, als volgt luidt: