relletjeIn het najaar verschijnt van de hand van drs. J.G.M. de Vries de bijna 400 pagina’s tellende, rijk geïllustreerde en geannoteerde Kroniek van een Boerenfamilie met als ondertitel: De laatste boerenopstand was in Culemborg - in 1965 - op het erf van Wim van Sterkenburg. Het boek beschrijft vanaf 1875 de wederwaardigheden en lotgevallen van de boerenfamilie Van Sterkenburg, woonachtig aan onder meer de voormalige 4e Hondsteeg, de Prijsseweg en de Rijksstraatweg. Een Kroniek als een indringende, historische frasering tegen de achtergrond van grote, vaak duizelingwekkende veranderingen in de samenleving: in denken, doen en laten.

Voor meer inhoudelijke informatie en/of eventuele reserveringen kunt U e-mailen naar: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of contact opnemen met de auteur De Vries, telefoon: 06-20360216.

Fragmenten uit het boek: Kroniek van een Boerenfamilie

(1) Als zijn trouwe werkpaard na een arbeidzaam leven van ruim 30 jaar in alle rust op de boerderij geniet van zijn oude dag, wordt hij ziek. Hij komt niet meer “in de benen”.  Met weerzin, maar onvermijdelijk komt de veewagen het paard halen voor de slacht. Maar wat ook wordt geprobeerd, het paard komt niet meer overeind. Het is alsof het voorvoelt wat hem te wachten staat. Dan komt de ernstig zieke boer, Gert van Sterkenburg,  nog eenmaal naar buiten en roept zijn trouwe viervoeter en zo waar, het verzwakte, totaal uitgeputte dier richt zich nog eenmaal op en strompelt als bij wonder traag naar zijn wrakke meester.  Uit: H3 Vogels zwermen uit


(2) Eens is Pietje, dan nog een jonge vrouw, ernstig ziek. Ze heeft verkering, maar haar vriend, een dorpsgenoot in Schalkwijk is protestant. De pastoor komt op ziekenbezoek en zegt Pietje dat haar ziekte mogelijk een teken van God is, dat ze flink moet bidden en haar verkering beter kan uitmaken. Ze gehoorzaamt de pastoor. Nooit zal ze trouwen, ook al staan de mannen voor haar in de rij.  Haar voormalige vriend trouwt ook nooit. Soms ontmoeten ze elkaar in het dorp en dan is er slechts een korte groet of een vluchtige blik.  En zo blijven de geliefden onbereikbaar voor elkaar en  berusten ze tot aan de dood in hun trieste lot. Uit: H3 Vogels zwermen  uit


(3) In de winter - om 6.00 uur ’s morgens - wekt boer Willem van Sterkenburg van de Prijsseweg zijn jongens Theo en Joh  van 11 en 9 jaar, die in de hoeken van de koude zolder slapen en vervolgens in de donkerte vliegensvlug in de kleren schieten. Nuchter en zwijgend gaan zij aan het werk. Op de boerenhof geldt de ijzeren regel: eerst het vee  en dan de mens. Een ieder kent zijn taak. Na het melken en het uitmesten van de stal wordt de houtkachel  aangestoken en wordt het brood -  na eerst door moeder te zijn bekruist  -  gesneden en genuttigd. Ook dan vallen er weinig woorden. Het karige licht dat schijnt, is van een petroleumlamp. Uit: H4 Korenaren groeien op


(4) Voordat de kist definitief wordt gesloten, is er nog een emotioneel moment waarop Willem van Sterkenburg probeert - in het bijzijn van zijn zoons Theo en Joh - de ring om een van de vingers van zijn dode vrouw los te wrikken. Het lukt niet en ten einde raad  licht hij de ring met een knijptangetje iets op waarna hij de ring door midden knipt en deze van Anna’s inmiddels verstijfde hand losmaakt. Hij wil die ring per se hebben. Jarenlang heeft hij het kostbare kleinood om zijn pink gedragen. Uit: H5 Reeds loert de dood achter de hagen


(5) “Mijn moeder lag in het ziekenhuis en zou met Kerst 1963 een kindje krijgen. Mijn vader moest ons vertellen dat het kindje  was overleden en barstte als een gebroken man in tranen uit. Dat heeft zo’n indruk op me gemaakt; zo’n grote sterke politie-papa met zoveel verdriet! Dat doet echt wel wat met je; ik voel het nu (2017) nog …” Uit: H6 Het voorgeborchte of de zielen der ‘’onnozelen”


(6) Het onderkomen van Theo van Sterkenburg als 15-jarige  boerenknecht op de boerderij in Tull en ’t Waal is niet een kamer op de hoeve zelf, maar een krakkemikkige betimmering boven de koeienstal waar hij via een schamel trapje kan komen. Overigens brengt Theo er niet altijd de nacht alleen door. Soms heeft hij gezelschap van een muis die zich in zijn strooien dekmatras heeft verschanst. Uit: H7.3 Galerij van boerenportretten


(7) Winkelklant van Wim van Sterkenburg aan de Prijsseweg is  oud-burgemeester Hermans. Zijn echtgenote  kan  intens genieten van de geurige stallucht. Ze mag voor Wim dan ook altijd in de stal rondlopen. Omdat de stalgeur haar zo aangenaam in de neus prikkelt, biedt Wim haar gratis een plastic zakje met pure, onvervalste, dunne stalmest aan, zodat ze er thuis met haar gezin ook van kan genieten. Uit: H7.6 Galerij van boerenportretten


(8) Gebruikelijk in die tijd is het drukken van godvruchtige prentjes die na de teraardebestelling aan de nabestaanden worden uitgereikt. Zij dienen als herinnering aan de geliefde of dierbare overledene. De teksten van de bidprentjes hebben in die tijd veelal een vaste structuur. Zo ook die van Don Johannes en Wilhelmina van Sterkenburg, die respectievelijk in 1935 en 1944 overlijden.

De tekst van bidprentjes begint met het zogenaamde exordium. Het betreft zakelijke Informatie over de overledene: geboortedatum, overlijdensdatum, teraardebestelling, burgerlijke staat en de toediening van het Sacrament der Stervenden. In feite valt deze inleidende tekst op het prentje geheel buiten de eeuwige orde van de  daaropvolgende tekst: het zogenaamde ordium.

De naam ex ordium zegt het in feite al: datgene, wat buiten de eeuwige orde valt. De begrippen  exordium en ordium geven het contrast weer tussen de tijdigheid van het aardse leven en de eeuwigheid in het hiernamaals.

Het ordium van het bidprentje bestaat voornamelijk uit exclamaties: jammerkreten en smeekfrasen. Daarnaast staan er adhortatieven in. Dit zijn aansporingen tot gebed en nagedachtenis. Het woordgebruik is archaïsch (Archaïsche taal  is verheven,  verouderd of dichterlijk woordgebruik).

Steeds wordt de tegenstelling tussen de laatste, zware stonden van het doodsuur geplaatst tegenover de eeuwige gelukzaligheid.

Tot slot geeft de tekst altijd een prospectief: het vooruitzicht elkaar ooit terug te zien. De bidprentjes zijn daarom kostbare miniatuurtjes in woord en beeld. Ze worden door de nabestaanden gekoesterd en bewaard in kerkboekje, missaal of prentenboek. Ze geven troost en worden ontelbare malen herlezen. Uit: H2  Een nieuwe loot ontsproten aan een aloude stam


(9) In 1938 is in Nederland de distributiewet ingevoerd. Deze wet geeft de overheid de bevoegdheid om de voedselproductie en - afzet in goede banen te leiden. In 1939 treedt, als de mobilisatie in Nederland wordt afgeroepen, het distributieapparaat in werking. In Culemborg, dat aan het einde van de jaren ’30 in de vorige eeuw ruim 9.000 inwoners telt, is Kees de Raad de vertrouwensman en plaatsvervangend commissaris van de provinciale voedselcommissaris van de regio, Ir. J. Tukker (Zie: Culemborg ’40 – ’45, Herdenkingsbundel tgv de viering van ’50 jaar’ bevrijding. J.M. van Alphen, M.C.M. Bongaerts, J.G.M. de Vries e.a. Uitgever: Stichting Culemborg en Oranje, 146 blz. 1e druk 1995). Kees de Raad heeft in die hoedanigheid assistenten nodig. Een van hen is Piet van Sterkenburg (1902 – 1978) van de hoeve Zeldenrust gelegen aan de Rijksstraatweg. Uit: H3.3  Vogels verlaten het vertrouwde nest


(10) Tijdens de  2e W.O. moet Bouw- en Grondbedrijf Hussen voor de Duitsers prikkeldraad afwikkelen van de afrasteringen tussen de akkers en weilanden. Zo is Hussen eens bezig het prikkeldraad om een beweide kersenboomgaard aan het einde van de 4e Hondsteeg af te wikkelen. De familie  Van Sterkenburg heeft daar hooiland liggen.

Hannes van Sterkenburg (1910 – 1972) is daar echter ook met paard en wagen. Tussen Hussen en Hannes ontstaat een felle woordenwisseling. Hussen heeft opdracht van de Duitse bezetter prikkeldraad te verzamelen maar Hannes pikt dat niet. Die omheining is van hem is en hij  gooit de wikkels geholpen door zijn neefje Joh, de 2e zoon van zijn broer Willem, op de wagen.  Hussen accepteert dat niet maar Hannes waarschuwt hem aan de riek te rijgen als hij niet van de wikkels afblijft en aldus geschiedt. Uit: H3.5  Vogels verlaten het vertrouwde nest


(11) Het beeld van een zwijgende begrafenisstoet die zich traag voortbeweegt achter een door zwarte paarden getrokken lijkkoets, is in de Nederlandstalige mortuaire  poëzie (Mortuaire of funeraire poëzie is poëzie die over de dood gaat) zelden zo indringend  en beeldend beschreven als in de Kerkhofbommen van de dichter Guido Gezelle (1830  - 1899). Gezelle bezingt daarin op  verhalend dichterlijke  wijze de laatste tocht van Eduard van den Bussche, een leerling op het kleinseminarie in Roeselare.  Zelfs de paarden voelen het verdriet dat die dag in 1858  het lichtglooiende Vlaamse landschap zo bedrukt.

De eerste twee strofen van het gedicht luiden:

 

              Traagzaam trekt de witte* wagen       (*wit is in de Roomse liturgie de kleur van het nieuwe
door de stille straten toen,                         leven, de wederopstanding)
en 't is wenen, en 't is klagen
dat ze achter de wythe*  doen!                (*huifwagen met daarop het gekiste, ontzielde lichaam)

              Stap voor stap, zo gaan de peerden,
traagzaam, treurig, stille en stom,
en zij kijken, of 't hun deerde*,                (*alsof het hun aanging)
dikwijls naar hun meester* om;              (*de koetsier)

(Het metrum van het gedicht bestaat uit een door de dichter consequent toegepaste, trocheïsche versvoet: afwisselend beklemtoond en onbeklemtoond. Bij een correct metrisch gelezen voordracht is de monotone, trage gang van de paarden hoorbaar).

Ongewild roept de laatste kerkgang van de 18 - jarige seminarist herinneringen  op aan de droeve stoet die op donderdag, 9 oktober van het jaar 1947,  Anna van Sterkenburg - Copier voor de  laatste  maal uitgeleide doet.

Die nacht heeft het zwaar geonweerd maar de volgende ochtend, op de dag van de teraardebestelling, schijnt de zon. De hemel is schoon gewassen en kleurt azuurblauw. Willem, de weduwnaar, loopt gebogen met vijf van zijn kinderen - Theo, Joh, Jan, Willie en Wim - dicht achter de traag, over  grind en zand  voortbewegende  dodenkar. De allerkleinsten, Annie en Riekie van Sterkenburg, op het lege boerenerf in onbegrip achterlatend.

Vanaf de stille hoeve waar de koeien die ochtend door de oudste zonen, Theo en Joh, zijn gemolken, trekt de stoet over de Prijsseweg, de hoek om bij de molen-boerderij Schennink, verder over de nog onverharde Rietveldseweg - de Jan van Riebeeckstraat bestaat dan nog niet - richting Vianensepoort. Dan volgen na elkaar de Vianensestraat en Prijssestraat waarna de stoet afbuigt naar de Varkensmarkt.

Uiteindelijk wringt de stoet zich - onder de monotoon beierende doodsklokken van de Heilige Barbara  -  de smalle Binnenpoort door, de Grote Markt op waar de majestueuze Sint Barbarakerk met haar ranke torenspits geduldig wacht. De hoge, zware kerkdeuren staan al open. Het grote, gebrandschilderde roosvenster hoog boven het hoogaltaar en priesterkoor breekt de herfstzonnestralen en strooit het gebroken zonlicht  als een poeder over de nog lege kerkbanken uit. Uit: H5  Reeds loert de dood achter de hagen


(12) In 1965 krijgt een van de Culemborgse boeren, Wim van Sterkenburg, problemen met de gemeentelijke en provinciale overheden. Hij heeft zonder vergunning  een paardenstal verbouwd tot woning. En dan zijn de poppen aan het dansen. Er komt in de zomer van ‘65 een grote rel tussen politie en vrije boeren als Wim weigert zijn woning in de oorspronkelijke staat te herstellen. Veel boeren en sympathisanten komen die zomer naar het erf van Van Sterkenburg om te voorkomen dat zijn woning ontzet wordt. Zij barricaderen het erf en worden daarbij door de leiders van de Boerenpartij, de Kamerleden Koekoek en Harmse, ter plekke gesteund. Uit: H8  De laatste boerenopstand was aan de Prijsseweg


omslag