De tekst onder de platen van de Heren en Graven van Culemborg is praktisch onleesbaar. Hieronder staat die tekst in een leesbaar formaat.

3 “Dit is de afcomste vande Graven / van Teijsterbant / Omme te comen tot kennisse van de afcomste der Edelre / Graven van Teijsterbandt, soo is te verstaen dat ontrent

4 het Jaer onses Heeren Achthondert is geweest een Grave / van Cleef genaemt Baldewijn, ende was de sevende Graef / van Cleef, ende hat tot een huijsvrouw des princen lodewijcks / Dochters van provencen bijwelcken hij drie soonen wan. Den outsten / hiet Lodowijck, den anderen hiet Everaerdt, die beijde d’een’

5 naer den anderen graven van Cleef sijn geweest. Die darde soon / genaemt Robrecht was de eerste Graef van Teysterbandt / ende voerde tot onderscheijt van sijns Broeders wapen In een lasveren schilt acht gulden schepters. dese Robrecht hadde / tot een wijve des Graven dochter van Zutphen daer hy drie

6 Soonen aen wan. Den eersten geheeten Baldewyn die sijnnen Vader int’ Graefschap van Teijsterbandt is gevolcht, Den / tweeden genaemt Lodowijck was Heer van Hoesden, Ende derden genaemt Robrecht was Heer van Altenae. Graef Baldewijn den olsten soon hadde tot een huijsvrouwe,

7 des Graven dochter van Vernandois, daer hij bij wan / een eenige Dochter die te houwelick is gegeven, den Door / luchtigen Walgerus des Princen Sigisbertis soon / van Aquitanien oltsten broeder van den Edelen Graef / Dirck, d’eerste Graef van Hollandt wiens linie

8 stamme ende afcomste men can deduceeren gesprooten te sijn van alden / Troijanen, sijnde Coningen van Vranckrijck soo de Cronijcke van hollant / t’selve breder is medebrengende. deese Graef Walgerus hadde bij sijn / voors huijsvfrouw eenen soon genaemt Dirck die tot een Huijsvrouw / heeft gehadt een Dochter van Graef Arndt, die Twaelfste Graef

9 van Cleef, daer hij bij wan twee soonen, Den outsten genaemt Henric / ende is sijnen Vader int graefschap van Teijsterbant gevolcht. Ende / den tweeden soon genaemt Gerbrandt, worde Heer van Boesinchem, Zoelen ende meer, ander, Waer van deese naervolgende Heeren van Boesinchem ende van Culemborgh zijnt nedergedaelt.

10 In tijden van deesen Graef Dirck van Teijsterbandt Ao. viiic.lxvii. als Keijser / Ludovicus den tweeden was regerende, zijn in hollandt ende sticht van uijtrecht / gecoomen de wreede Deenen ende Noormannen verdervende t’landt en hebben desen / Graef Dirck ende huijsvrou Jammerlick tot Thiel verslagen. Dit Graefschap van / Teijsterb: was dat nu tertijt Tielre ende Bommelreweert, t’Landt

11 van Huesden Altena Boesinchem Zoelen ende Avesaedt is. / ende soomen bevindt hebben deese Graven ten eijnde toe deese / Acht gulden Schepters In eenen lasveren schildt gevurt / Ende hoewel sij sich mit hijlicken te meermael aen andere

12 Stammen hebben verandert, hebben nochtans soo het schijndt / In dien tijden een maniere geweest te sijn, altijts die selve / Wapenen wederom aengenomen Ende dit Graefschap van / Teijsterbant Is te niet gegaen als men screef viiiic.Lxxxxiiii

12a Door Aufridus die eerst gehijlickt was ende was Graef / van Hooije, van Teijsterbant, van Bratispantien ende Hr. / van Altenae, ende na sijnre huijsvrouwen doot wert hij de achtienste bisschop van Utrecht ende gaf sijn goet eensdeels

12b Der kercke van Uyttrecht eendeels de Kercke van Ludick, ende stichten t Clooster aenden Heijligen berch bij Amersfoort / dat nu de Abdye van Ste: Paulus t’Uijtrecht is. Alsoo dat die goederen / van Teijsterbandt sijn geslit ende gedeijlt in veelen deelen.

13 Gerbrandt die tweede soon van Graef Dirck van Teijsterbant voors. die / hij hadde bij Graef Aerts dochter, die twaelfde Graef van Cleef worde / na sijns vaders doot de eerste Heer van Boesinchem, Zoelen ende van / meer andere Heerlickheijden, nemende tot eenre Huijsvrouwe des Edlen / Heeren Dochter van Pont, bij de welcke hij twee kinderen heeft verweckt / eenen soon genaem Dirck ende een Dochter die geestelijck is geweest. / Deese Gerbrandt heeft de Kerck van Boeseinchem wederom begonnen

14 te timmeren nae dat se vernielt ende verdestrueert was. Ende heeft oock / het grontwerk vant’ slot aldaer geleijt. hij heeft voor sijn wapen genomen / twe voren in een gulden schilt. Die roode baren over dwaers gaende / met verlatende sijns Vaders wapen, Twelck was in eenen gulden schilt / een Rooden leeuwe mit die tonge ende clauwen van lasveren voor, ende / noch daer beneffens die wapen van Teijsterbant, te weeten In een lasveeren / schilt acht gulde schepters. deese hr. Gerbrant sterf Ao. viiiic.xxv. begraven met sijn huijsv. by sijn Olders tot St. Walburgen binnen Thiel.

15 Dirck soon van Gerbrandt Heer tot Boesinchom, Is sijn Vader / Inde heerlickheyden gesuccedeert hebbende tot eender Huijsvrouw / des heeren dochter van Spijck, daer hij aen wan drie Soonen, Te weten / Willem, Johan ende Claes. Willem is zijn vader In de heerlicheyden / voors gesuccedeert ende naergevolcht, Johan worde heer van der / Weyden, uijt welcke die Heeren van der Weijden sijn gesprooten.

16 Claes worde Heer van Catz waervan oock die nakomende Heeren / van Catz gecomen sijn. Deese Godtvresende Heer Dirck heeft / weder opgericht, die kercke tot Boesinchom ende t slot by de / voors Kercke heeft hij volmaeckt. Ende is gestorven int Jaer ons / Heeren negenhondertvierenvijftich ende is met sijnder Huijsvrouw / Inde Kercke van Boesinchem Eerlijcken begraven.

17 Willem oltste soon van Heer Dirck voors, is na sijns Vaders doot / geworden Heer van Boesinchem, nemende tot een Huysv. / des Edelen Graven dochter van Rijperscheijden uijtten / Hertochdom van Luxenborch, bij welcke hij vercreech eenen Soon genaemt Johan sijnnen navolger. deesen Heere

18 Willem is mitten Hoochgebooren Graef Arnoudt de darde, / Graef van Hollandt sijnnen Neef tegens die vriesen inden / Oorloge, doemen schreef viiiic: ende lxxxxiii verslagen, / des daechs na St. Lambrechts dagh des Heijligen Bisschops ende / martelaers, ende is met sijn huijsv. tot Boesinchem begraven.

19 Willem oltste soon van heer Dirck voors, is naer sijns Vader overlyden / geworden Heer van Boesinchem nemende tot een huysvrou des Edelen / Graven Dochter van Rijperscheijden uijtten Hertochdom van Luxenb: / bij welcke hij vercreech een soon genaemt Johan sijnnen navolger

20 Deese Heer Willem is mitten Hoochgebooren Graef Arnout de / darde graef van Hollandt sijnnen neef tegens die vriesen in den oorloge / doemen schreef viiiic. en lxxxxiii verslagen des daechs na St. Lamberts / dach des H: Bisschops en Martel: en is met sijn huijsvr. tot boesinschem begrav.

20a Heer Johan soon van Heere Willem voorgenoemt Is sijnnen / Vader gesuccedeert ende gevolcht in der voors Heerlicheijt / van Boesinchem. Ende heeft tot eenre huysvrou gehadt des Edelen Heeren dochter van Huesden bij de welcke hij een

20b Soon verweckt heeft met namen Roelof die groote ende / Hr: Johan voornoemt sterft in den Jare onses Salich / maeckers doemen schreef Duijsent ende dertich, sijnde / met syn Huijsvrou tot Boesinchem eerelijck begraven.

21 Roelof soon van heer Johan voors genaemt die groote, soo hij na stature ende / sterckte In deese landen van Hollandt geen sijns gelijcken hadt, Is sijnnen / Vader gesuccedeert in alle voorgenoemde heerlichheyden out wesende twe ende / twintich Jaren ende hadt ten wijve des Graven dochter van der Lippe daer hij een / soon bij verweckte genaemt Henrick. dese heer Roelof was een cloeck en ervaren Hr. / van crijchshandel, voorsichtich van Raede ende seer practijckich, inde Christenreligi

22 seer Godtvruchtich ende Iverih, oock seer familiaer byden Roomschen Keijser / Henrick de vierde van dien name ende sijnen oppersten Veltheer tegens d’sassenaers / ende int’Jaer Duijsent negenondertnegentich als Keijser Henrick voors sijnnen / Soon tot Aken Roomsch Coninck laten croonen soude, soo is heer Roelof (om / den Keijser te begroeten nu seer out wesende) naer Aken getogen en onderwegen met een koorts / bevangen is tot Aken gestorv: en door begeerte des Keysers aldaer in onser vroukerck heerlic begr.

23 Heer Johan soon van Heere Willem voorgenoemt, is sijnen / Vader gesuccedeert ende gevolcht in de voors Heerlickheijt / van Boesinchem. Ende heeft tot eenre Huijsvrouwe gehadt / des Edelen Heeren Dochter van Huesden. Bij de welcke

24 hij een soon verweckt heeft met namen Roelof de groote. / Ende Heer Johan voornoemt sterfvende Inden Jaere ons / Salichmaeckers doemen schreef Duijsent ende dertich / sijnde met sijnen huysvrou tot Boeseinchem eerlick begrav.

24a Henrick soon van Heer Roelof voorgen: out wesende tweentwintich Jaren / den welken Keyser Henrick voors in eijgener Persoone Anno Duysent / een entseventich op Ste Jan Baptistendach inde stadt van Collen op ter / Heyliger vonte geheven ende met sijn naem genoemt heeft, Is sijnnen Vader / in de voorseijde Heylicheyden gevolcht, hebbende tot eenen Wyve des geboor / tigen Heeren Dochter Heer Simon eerste Heer van Teijlingen. Int vijfde Jaer

24b naer sijns Vaders doot als Coninck Henrick van Roomen syn vader / den Keyser (die hem tot Aken int corte voorgaende Jaren Roomsch / Coninck gecroont hadde) mit Oorlogh ende veel spijticheijts was vervolgende / ende verwinnende Is deese heer Henrick mit veele Edele vermaerde mannen / by Ludick mede verslagen, na hem latende eenen soon van vijf Jaer genaemt Roelof / die de stadt Culemb: opgebout heeft, de huysv. van hr. Henrick sterft 1120 tot Beus. en aldaer beg.

25 Roelof een soon van den voors Henrick is naer syns Vaders doot / geworden die sevenste heer van Boesinchem, hebbende tot eenre huysv. / des Edelen Heeren dochter van Heijnsberch genaemt Alijdt, daer hij / een dochter bij wan die hij ten houwelijck den Heere van Bueren / doen sy ontrent xv Jaren out was, beloovende mit haer te geven de Heerlickh. / van Boesinchem. Daerna heeft vrouwe Alijdt voors noch een soon gebaert / die genaemt wort Hubrecht. Ende na dat deese Heer Roelof hadde / geweest Heere van Boesinchom negenendartich Jaren, soo heeft hij

26 die stadt van Culemburgh aengeleyt ende gebout. Dus is heer Hubrecht / Soon van heer Roelof syn vader gesuccedeert Inde heerlicheyt van Culemb. / Want sijn vader die heerlickheijdt van Boesinchem ten huwelick gegeven / hadt sijn dochter aleer heer Hubrecht gebooren was. Hier is Boesechom / ende Cuijlemborch van den anderen gescheyden. Ende deese heer Roelof / regeerde Cuijlemburgh ontrent dartich Jaren ende sterft Jaer onses / Heeren Duijsent hondert vier en t’seventich, ende begraven tot Boesinchem

27 Die Edele ende wel gebooren Heere Hubrecht d’eerste van dien / name ende de twede Heer van Cuijlemborch gesuccedeert sijnde in / deeser Heerlicheijt van Cuijlemborch bij doode van sijn vader, nam te / Wijve een dochter van Heer Zweer van Zuijlen, daer hij eenen soon / by kreech genaemt Johan, ende naer dat hij eenendartich Jaer geregeert had

28 sterft hy int Jaer onses Heeren duysent, twehondert ende vijf ende is / met sijn huijsvrouw begraven tot Boesinchem deese hiet Hubrecht van / Boesinchom heer van Cuijlenborch Ritter. Noch soo hadde dese Hubrecht / eenen soon genaemt Zweer bij sijn voors. huijsvr. welcke heer zweer troude / een dochter van Leerdam ofte van der Lhede en timmerde namaels de stede vianen, in Jaer 1213.

29 Johan soon van heer Hubrecht voors is geweest die derde Heer van Cuijlenburch / ende heeft getrout tot een huijsvrouwe de dochter van den Heere van Ghijstel / uijt vlaenderen daer hy eenen soon bij wan genaemt Hubrecht. Deze heer Johan / heeft de kercke van sinte barbaren binnen Cuijlemburgh met consent des Stoels / van Roomen eerst tot parochiekercke gemaeckt die te voorens maer een Capel

30 en plach te weesen van de kercke van Boesinchem, ende heeft oock sijn wapen / gedeijlt te weten sijns vaders ende Moeders wapen in eenen schildt / voerende. deese Heer Johan heeft Culemborgh geregeert ende beheert / ontrent vijfendartich Jaren, ende is gestorven int Jaer ons heeren duijsent / twehondertveertich. Ende is begraven ins onser liever vrouwen Capel binnen Culemb.

31 Hubrecht die twede van dien name Is geworden naer sijns Vaders doot de vierde / heer van Culemborch ende hadt tot een huysvrou een dochter van de Heer van Vooren / daer hij aen wan eenen soon genaemt Hubrecht, die hem in de voors heerlickheyt / is gevolcht. dese heer Hubrecht heeft ganselick verlaten die wapenen van / Boesinchem ende Teijsterbandt ende dat om oorsaecken hij was gepriveert / van de Heerlicheijt, ende heeft voor sijn wapen aengenomen sijn alde Moeders wap.

32 Te weeten In eenen gulden schildt, drie roode Zuijlen, nochtans behaldende / het helmteijcken van Boesinchem. Dese heer Hubrecht heeft oock getimmert / het slot aen de westsijde van de stadt, aen de wech naer Golbardingen toe, / benedendijcx ende heeft Culemborch geregeert twe ende dertich Jaeren, En / is gestorven int Jaer ons verlossers duijsent, twe hondert twe ent Seventichtste / Jaer. Begraven met sijn huysvrou tot Cuijlemborch by sijne Olders.

33 Hubrecht de derde van dien name Is gesuccedeert in sijns Vaders plaetse, en is geworden / die vijfde heer van Culemborch na doode sijns vaders hij nam te wyve een dochter van den / Heere van Arckel met namen Heer Johan de elfde heer van erckel, daer hij eenen soon / bij creech genaemt Jan ende twee dochteren. die oudste dochter gaf hij ten houwelick / den Graef van den Goije, ende die ander gaf hij eenen Ridder genaemt Hr: Gijsbert van Seets. / deese heer Hubrecht heeft Culenborch eerst tot een gelders leen gemaeckt ten Zutphaen

34 Rechten, twelck te bevoorens een vrij heerlichheijt was ende heeft geregeert, xxiiii Jaren / Ende is gestorven Ao: duijsent, twehondert ses ende t negentich en is begraven tot Culemb. / Desen heer Hubrecht hadde een verbondt gemaeckt met sijne twe Neeven d’Heere / Van Woerden ende d’Heere van Aemstel tegens bisschop Henrich van Vijanden Bisschop / t’Utrecht, ende tegens Coninck Willem Grave van hollandt ende grave Floris / Coninck Willems soon, ende besorcht sijnde dat hem sijn slot ende stadt van Cuijlenb.

34a van den Bisschop van Uijttrecht, ofte van den Grave van hollant, dat grootmoedige / Princen waren, mocht worden afgeloopen, (Want Culemburch was een vry baanrootschap) / Soo heeft deesen heer Hubrecht met Raet ende believen van de Magistraet ende stadt / culemborch vercocht om een hooft te hebben aen Graef Reijnolt van Gelre, sijn Slot ende / Borch van Cuijlemborch voor de somme van hondert hollantse ponden op al sulcke conditien / dat hij ende sijn nacomelingen d’selve borch ende slot van den grave van Gelre souden te / Leen houden ten Zutphentschen rechten Behouden altyts den borgers en poorten van

34b Culemborch hare vryheden ende Rechten haer vanouts, van haeren Princen ende / fursten gegeven vermogens besegelde brieven daervan sijnde. deze coop is geschiet / tot Nimmegen opten Valckhof Int Jaer onses heeren ende salichmaeckers / Duijsent twehondert ende tachtentich, opten heijligen vrouw lichtmis dach. daerna / Inden Jare duijsent twehondert twe ende t’negentich, heeft de voornoemde / Grave van Gelre deesen heer Hubrecht metten Bisschop van Utrecht ende den graven van Hollandt versoent ende vereenicht.

35 Johan soon van heer Hubrecht Is naer doode sijns Vaders geworden / die sesde heer van Cuijlenborch. hij hadde ten wijve eerst een Erfdochter / des heeren van Moudericx daer hij eenen soon bij creech genaemt Hubrecht / ende wert na hem heer van Culemborch ende na doode der voors huijsv. / nam hij voor sijn twede Wijf een dochter vanden Heere van Abcouw

36 Daer hij eenen soon bij wan genaemt Henrick, die namaels geworden is / heer van Woudenbergh ende van schoenhauden. Deeze heer Johan sterft / Int Jaer ons heeren duijsent, driehondert Twe ende twijntich, ende is / tot Culemborch begraven. Mit deesen hijlick Is Eck ende Maurick / aen Culenburgh gecomen met meer andere goederen.

37 Hubrecht die vierde van dien name was die sevende heer van Culemborch, Na doode / sijns Vaders ende nam tot eenen wyve des heeren eenigen dochter van der Leck / daer hij bij vercreech drie soonen ende ses dochteren, te weten Jan Gerrit ende Peter / Jan succedeerde naer doode sijns Vaders in de heerlicheit, ende na hem is sijn broeder / Gerrit int regiment gecomen Peter nam te houwelick een erfdochter van der meer / die outste dochter nam ten houwelick d hr. van Vianen die twede wert gegeven, den Hr.

38 van Vliet ende van Woerden, die derde den Heere van Aemstel, die vierde Den heer van / Montfoort, die vijfde d’heer van Weerdenburgh, ende die seste was onbequam totten houwel: / dese voors. heer Hubrecht sterft int’ Jaer onses heeren, duijsent driehondert seven / ende veertich als hij Culemborch geregeert hadde ontrent vijf ende twintich Jaren / ende wert verslagen in eenen slagh tegens die Luijckenaers tot hasselt. mit deesen houwel. / quam die heerlicheijt van der Leck, die Weert ende Weerdenbroeck aen Culenburgh.

39 Johan outste soon van heer Hubrecht voors is naer doode sijns Vaders geworden, / de achste heer van Culemborch sonder hem te begeven in den Houwelicken staet, / dees heer Johan heeft het slot (Twelck heer Hubrecht die tweede van dien naem / aen die golberdingen poort eerst getimmert heeft) herbracht ende vertimmert / aen d’ander sijde van der stadt, daer men t’selve noch huijdensdaeghs sien kan. Ende / heeft een nieuwe stadt aen Cuijlemburch begonnen aen de noortsijde van de oude stadt

39a te timmeren die men hiet den Havendijck. dees Heer Jan carteleerde sijn wapen / mettet wapen van der Leck ende was d’eerste diet alsoo aennam. hij hadde veel oorlochs / tegens des Bisschop van Utrecht Guido van Henegouwen ende tegen die stadt ende landen van Utrecht. Ende als hij ontrent dartich Jaren geregeert hadde, / Is hij gestorven Inden Jaren duijsent driehondert seven ende t’seventich, ende is tot Cuijlemburch eerlicken begraven.

40 Gerrijt d’eerste van dien naem, Is naer doode sijns voors broeders geworden die negende heer / van Culemborch. hij had tot eenen Wijve heer Johans dochter van Egmondt, daer hij bij wan / ses soonen ende drie dochteren, die soonen waren genaemt de autste Hubrecht, die na syn / Vader gesuccedeert is inde heerlicheyt, die twede Johan die sijnen broeder voors inde heerlick / heyt is gevolcht, die derde Sweer, bisschop van Utrecht, die vierde Aerndt, deken St. Jan / t Utrecht, die vijfde Peter ende sterft sonder echte kinderen ende die seste Gerijt, die ses / Kinderen gehadt heeft ende was woonhaftich opt huijs tot Maurick Inde Betuwe Ende / is gehijlickt aen een dochter van Zuijlen van Nievelt daer bij hij geprocreert heeft, Ses / Kinderen als hier beneven sal werden geseijt. De outste dochter van Hr. Gerijt voornt

41 Is gehijlickt aen den heere van Everwelden, die twede aen een Grave van Rijnerscheijdt, / die derde was die weerdige ende hoffelijcke Jouffre. Bertha, die tachtentich Jaren / oudt sijnde is mecht gestorven. desen Heer Geryt heeft de nieustadt, daer de kercke van / Lanxmeer In Paveijen getranslateert is getimmert daer men se noch siet, daer oock sommige buerschappen inne getogen sijn te weten Lancxmer Paveijen ende prijs hij regierde achtien / Jaren ende sterft in den Jare onses heeren Duijsent driehondert vijf ende t’negentich ende is tot / Culemburch begraven. Den Jongcxsten soon van heer gerijt de negende heer van Culemb. / genaemt Joncker Gerit was woonhaftich opt huijs van Mauwerick ende had by syn huysvr. / sijnde een dochter van Zuijlen van Nievelt ses kinderen, te weeten Hubert Geryt

41a Jan, Henrick ende twe dochteren. Hubert is gehylickt aen een dochter van Rossem / daer hy eenen Soon by heeft geprocreert genaemt Sweder die bij sijn huijsvrouw Jonckv. / Otto van Eemskerck heeft geprocreert frans van Culemborch, die gehylickt was / aen Jouffr: Henrick van Keppel. Van den tweeden soon genaemt Gerijt sijn gecomen / Jasper ende Melchior van Culemborch ende een dochter gehijlickt aen de Cocken ende / nerijnen. Vanden derden soon Jan genaemt is gecomen Willem van Cuylenborch. Van Willem van Culemborch is gecomen heer Jan van Culemborch, Heer van Rijnswoude, van heer Jan van Culemborch sijn gecomen vier dochteren die was besteijt aen de hr. / van Monceau, d’andere aen de Hr. Van Somersdijck die derde aen een van Meroode

41b Die vierde hadt een van Mathenes Heer van Riviere dees voors heer van Rijnswoude / hadde een broeders soon genaemt dirck van Culemburch. Dees hadde een eenige broeders / dochter gehijlict aen een Edelman int oversticht van Utrecht, genaemt Mulere. / Noch hadde den selven een suster ende was bestait aen den heer van Schoonauwen, / Den vierden soon van Joncker Gerijt voors genaemt Henrick van Cuijlenburch / liet achter eenige dochter bestait aen Beerndt van Weese, die outste dochter / van Joncker geryt voors was bestait aen een van Zuijlen van Natewis, die twede / was bestait aen een van Renes van Wulven de derde aen de heer van Poelgeest.

42 Hubrecht die vyfde van dien naem succedeerde syn Vader en was die thiende Hr. / van Culemburch, ende heeft getrout Jolenta een dochter van hr. Sweer van Gaesbeecq / daer hy geen kinderen bij en wan, ende nadat hy geregeert hadt, achtentwintich Jaren / heeft hij in der kerck tot Culemburch tot synner eeuwiger lof ende memorie gefondeert / ende seer ryckelyck gedoteert een Canonisie. dese hr: Hubert is geweest seer kloeck / en expert des crychshandels. In tyde hr. Hubrechs verbrande t meestendeel vande

43 oude Stadt van Culemborgh mit Sint barbaren kercke ende t’Gasthuijs, ende is / in dit selfde Jaer in den Haghe gestorven, Anno duijsent vierhonder drie ende / twintich op onser liever vrauwen dach assumptionis. Ende Is tot Culemburch in onser / liever vrauwen kappel begraven by sijn olders ende voorheeren, als hij Culemb. geregeert/ hadde xxviii Jaren. ende vrouwe Jolenta is begraven buijten vijtrecht, totten Cathuijsers. Tot / noch toe syn d’heren van Culemb. in onser vrouw: kapel tot Culenb. begr: t welc nu is t Eer:H:Sacrs: capel

44 Johan den tweden soon van heer Gerijt voors ende broeder van den voorn. hr Hubrecht / is na doode sijns broeders inde heerlicheijt gesuccedeert, ende heeft geweest die / elfste heer van Culemburch, hij traude tot een vrouwe, eerst den heeren dochter van Ghemen, daer hij geen geboorte by en wan, als sy nu overleden was, soo traude hij vrouw / Alydt van Gutterswijck, suster des Graven van Benthem, daer hij by creech drie sonen / ende drie dochteren, Te weten Gerijt, die sijnnen Vader in de heerlicheijt is gevolcht

45 Heer Sweeder Ritter die gestorven is Inder reijse van den Heijlgen landt, ende Joncker / Everwijn, die oudste dochter hadt die heer van Hueckelom, die twede heer Wijnolt van Arnhem / Ritter ende die derde hadde den Heer van Aenhoudt. Deese heer Johan heeft geregeert / dertich Jaren, ende is gestorven int’ Jaer onses Salichmaeckers, dusent vierhondert, lii. / begraven int’ midden van S:te barbaren choor t welck hij had, met oock de kerck op syn eijgen / cost doen repareren ende weder optimmeren hier begint t’Clooster van St. Marienkroon t Culemb.

46 Gerijt die twede van dien name is sijn vader gesuccedeert, ende is geweest die twaelfde hr. / van Culemburch, hij hadde tot een huijsvrouw vrouwe Elisabeth eenige dochter van Hr. / Johan van Bueren, Heer tot Eewijck, daer hy by wan eenen soon genaemt Jasper, ende / twe dochteren, d’eerste was een geestelicke nonne te diepenveen ende dander wert gegeven / Hr. Frederick van Egmondt eerste Graef van Bueren. dese hr. Gerijt heeft d’ pastorije / Inde kercke van Culemburgh gefondeert ende wel rijckelicken gedoteert. Ende als hij had

47 geregeert ontrent xxviii Jaren is hij gestorven int Jaer ons heeren Duijsent vierhondert lxxx / op ten negenden dach van meert begraven met sijn huysvrouw onder eenen blaeuwen sarcksteen / Int’ choor van Ste: Barbarenkercke binnen Culemburch deese Hr. Gerijt was vroech wewenaer / sonder hem weder totten huwelicken staet andermaels te begeven. dan hadde soo soonen als dochters / wel dertich naetuerlijcke kinderen. mit deesen houwelijck van vrouw Elisabeth van Buren sijn / veel heerlicheyden aen Culemb. gecomen die haer aenbestor: sijn, deur overlijden haer ooms, Franco van borsel

48 Jasper d’eerste van dien name, Is synnen Vader gevolcht in de voors heerlicheijt, ende is / geweest de derthiende heer van Culemburch. hij troude tot een huijsvrouw vrauwe Janna, / een dochter van heer Anthonis van Bourgoignien graven van steenbergen, daer hij bij wan / drie soonen die alle Jonck gestorven syn, ende ses dochteren te weeten, Elisabet, die na / haers vaders doot geworden is vrouwe van Culemburch. tot hiertoe is deese heerlicheijt / van Culemburch gesuccedeert op mannelicke oer van Vader op den soon, ende van den eenen / Broeder op den ander twelck geduert heeft driehondert ent sestich Jaer. Anna de twede / dochter wardt ten houwelyck gegeven heer Johan hr. tot Pallandt, Cornelia de derde

49 Dochter, den Grave van Rennenberch, Alijt de vierde, de heere van Bailloel, Magdalena / die vijfde dochter den Heer van Noijlles, ende die seste is Jonck gestorven. Bij tijden van / deesen heer Jasper is heer Franck van Borsele Grave van Oostervandt gestorven sijn oom / daer deur hij geworden is Heer van Borsele, Hoochstraten, Eeuwijck, Zuijlen, Doddendael / Sintmartensdijck in Zeelandt ende meer anderen. Ende als hij die stadt Culemburch geregeert / hadde drientwintich Jaren, Is hij tot Gendt gestorven Anno domini duijsent vijfhondert / ende vier, op Sint Andries avondt, begraven met sijn huijsvrouw tot Culemb. In deesen tijden / Is t convent van Hierusalem In de nieuwe stadt binnen Culemburgh voors begrepen.

50 Elisabeth, outste dochter van Jasper heer tot Culemburch vornt. is geweest die veerthiende die Culemb. / heeft beheert, ende by rade vanden Alderdeurluchtichsten Coninck Phls. van Castilien Hertoge van oostenrijck / ende van Bourgoingien etc. ten houwelick begeven aen den Hoochvermogende Heeren hr. Johan van Luxenb / Heere tot Vile etc. die cortelingen overleden is Inden Jaren vijftienhondert ende acht. daernaer trouden Zij den / Edelen Welgebooren heere, Hr: Anthonis van Lalaing Hr. van Montingni etc. beijde deese heeren sijn geweest/ Ridderen van der oorden vanden gulden vliese. En vrouwe Elisabeth voors en creech geen kinderen van geen / der voors heeren. Oock heeft d’selve vrouwe Elisabeth naerderhant Inden tweden houwelicken staet sitten[?] / haeren tweden man heer Anthonis van Lalaing opgedragen die Heerlicheijt van Hoochstraten die haer / aengecomen was by doode van haeren voors heer vader. Ende die voors heer Anthonis van Lalaing

51 van den aldervictorieusten Keijser Carolus de vijfde van dien name verworven dat die voors heerlicheijt / van Hoochstraten geerigeert worde tot een Graefschap ende heure Persoonen Grave ende Gravinne. / Dese grave ende gravinne hebben tot Hoochstraten een seer schoon slot getimmert ende met noch een schoon / parrochiekercke, ende die olde Collegie aldaer met meer persoonen geaugmenteert ende der clarisse clooster / ende kerck aldaer oock geheel nieuw vermaeckt mit een schoon Raethuys. Ende soo sij geen kinderen hadden / (als vooren is geseijt) hebben die voors Graven ende Gravinne eenen Erard van Plalandt als sone van Vrou / Anna van Culemb./ der voors Gravinnen oltste suster ende rechte erfgenaem totte heerlicheijt van Culemb / ten houwelick bestaeijt aen vrouw Margarite des graven dochter van Lalaing des voorn. heeren Anthonis / broeders dochter gevende hun luijden tot vorderinge van den selven houwelick d’heerlicheijt van Culemb.

51a behoudende nochtans heurer beyder levenlanck die administeratie ende gouvernement, ende daertoe noch dat / huijs ende heerlicheijt van den weerde ende weerdenbrouck. Insgelycx hebben die voors Graven en Gravin / Heer Philips van Lalaing twede soons van Grave Kaerle van Lalaing oock Ritter vande voors oorden / ende des voors heeren Anthonis broeders soon ten houwelick gegeven vrouw Anna van Rennenborch / Dochter van vrouwe Cornelia van Culemburch, die twede suster van vrouwe Elisabeth voors. Geven / hunluijden in avanchement vanden selven houwelijck eerst dat Graefschap van Hoochstraten voors. / Reserverende hun luijden doch haer levelanck gedurende het gouvernement ende die gehele: admi / nistratie desselven graefschaps alsvoren, ende naderhant oock die heerlicheijt van Borssele / ende sijn alsoo die voorseijde heerlichheijden van Hoochstraten ende van borssele vanden huys van Culemb. / gescheyden. die voors Heer Anthonis van Lalaing is in den Jare XVc. ende veertich overleden, op den / tweden aprilis ende tot hoochstraten begrav: die voors Gravinne Elisabeth in haren houwelicken sta.

51b ende heeft noch veel deuchdelicke werkcen gedaen, ende nadat sij Culemburgh, Li Jaren rustelijck geregeert / hadde, ende veele kercken, kloosteren, gasthuijsen, cappellen etc. mit meer diverse kostelicke en schoone / ornamenten ende kleijnodien versien ende begaeft heeft, out wesende over de lxxx Jaren, Is sy op den viiii en / ich decembris ao. XVc.Lv. tot Culemburch in Godt gerust ende tot Hoochstraten gebracht ende bij Graef / Anthonis haren man begraven onder een tombe van Aelbastaert Instituerende bij haren testamente / in rechten Aermen haere Erfgenamen. Ende dienvolgende hebben d’Executeurs van haeren Testamente t Culemb. een nieuw Convent genaemt ten heyligen leven gefondeert ende uytten gront getimmert, daerinne / onderhouden werden acht ende veertich Weeskinderen, twe Pristers ende twaelf devite Christelicke / Maechden ende t’selfde seer rijckelicken gedoteert ende van alles gestoffeert. Insgelijcx hebben sij oock tot / Hoochstraten een ander Weeshuys opgericht daerinne onderhouden werden xii. arme Weeskinderen / enen Priester ende twe Maechden, Twelck al tot harer Zielen salicheijt strecken moet. Amen.

52 Erardt, Vryheer van Pallant, wittem etc Vrouwe Anna van Culemborchs eenige soon / Vrouwe Elisabets voors Neve, Is sijn vrau Moije inde heerlicheijt gevolcht, ende is geworden / die vyfthiende heer van Culemburch. hij nam ten houwelick vrouwe Margriette des Graven / dochter van Lalaing daer hij thien kinderen bij creech, te weeten vijf soonen ende vijf dochteren. / die vier soonen sijn Jonck gestorven ende een dochter alsoo datter maer een soon genaemt Floris / In den leven en is gebleven ende vier dochteren die outste genaemt Marie die ten houwelijck

53 gegeven is den Heere van Frazegnies, die twede genaemt Anna is bestaijt aen den Heere van / Glaijon, Ridder vanden gulden vliese, die darde genaemt Magriet Is gegeven heer Johan / van Merode, heere van Peterssem etc ende die vierde genaemt Elisabeth Is bestaeijt aen / Graef Joost van Schauwenborch Heere tot Ghemen etc. deese Heer Erardt is besitter / geweest van Culenb. xiii Jaren ende is overleden Ao. xvc.xl op den achsten dach Octobris / ende begraven tot Culemburgh, Vrouwe Elisabeth noch in leeven wesende.