cholera 1866 copy copySinds 1817 bereiken steeds meer berichten over de cholera ons land. Het begint met losse gevallen, maar dan komen de berichten van honderden, duizenden doden. En het komt dichterbij. In 1819 ziet men ook hier rouwadvertenties van landgenoten die in Oost-Indië aan de ziekte bezweken. Het is even later ook nog eens oorlog. Die Belgen willen zich van ons land losmaken; in 1831 hebben we zelfs een tevergeefse tiendaagse veldtocht gehouden om ze mores te leren. Het land is dus al in rep en roer en dan….


Cholera in Nederland
Op 25 juni 1832 komt de cholera via botersmokkelaars in Scheveningen aan wal. In het dorp worden zeshonderd mensen ziek, 262 overlijden, dat is zes procent van de lokale bevolking. De ziekte verspreidt zich over het land en eist ca 5.000 doden. In vijf golven komt de ziekte terug en bereikt in 1866/67 het hoogtepunt. Daarna komt de ziekte in ons land niet meer op pandemische schaal voor, maar elders flakkert de ziekte ook in de 20e eeuw nog op, waarbij ook mutaties in de bacterie ‘Vibrio Cholerae’ ontdekt worden.

Cholera heet ook wel de ‘Aziatische buikloop’ of ‘braakloop’, want de bron was dikwijls Noord-India/Bangeladesh. Soms blijft de ziekte in een bepaald gebied, maar vaker wordt de ziekte via rivieren, spoorlijnen, handelsroutes, pelgrimstochten en troepenbewegingen verspreid. Door een heftige diarree droogt de patiënt snel uit: kenmerkend is het ingevallen gelaat met diepliggende ogen. De lippen, de benen en de nagels zijn blauw, vandaar de naam de “Blauwe dood”. Minder water in het lichaam beschadigt alle organen. Het bloed wordt dikker, het hart moet harder werken. De patiënt blijft helder tot hij/zij in coma raakt, dan is het overlijden nabij. Als iemand besmet is, duurt het nog 3-5 dagen voordat bij ca 10-20% van de mensen de symptomen zichtbaar worden. Juist dat vergroot de kans van besmetting op grote schaal. Wie daadwerkelijk ziek wordt, zal zonder hulp in 40-60% van de gevallen overlijden. Dus ca 50% geneest spontaan.

Hoe komt die ziekte hier? Protestanten geven Jezuïeten de schuld, maar zijn onderling ook verdeeld over de vraag of het een straf Gods of een natuurgebeuren is. Of is het een complot van de artsen en apothekers die er rijk van willen worden? Een ding weet men wel: bange vreesachtige mensen zijn veel meer vatbaar dan vrolijke optimisten.

Wetenschap met lege handen.
Als de pandemie in 1832 ons bereikt, heeft het land een extreem koude winter gehad en waren de oogsten slecht, dus de prijzen hoog. Tevens weet men nog onvoldoende van de oorzaak van de cholera om een goed beleid te voeren. Twee scholen bestrijden elkaar: de contagionisten gaan uit van een smetstof die door contact of nabijheid overgedragen wordt. De andere school ziet het miasma, een stof in de atmosfeer, als de schuldige.

Aan de Franse tijd heeft Nederland een bevolkingsregister overgehouden. Nu komt men op het idee om gezondheidsstatistieken te verzamelen via een netwerk van correspondenten. Tabellen en kaarten met gegevens over ziekte en sterfte veranderen het debat geleidelijk. Als John Snow in 1854 in Londen op een kaart een cluster van gevallen rond een waterpomp in Broadstreet ziet en deze pomp afsluit, daalt het aantal zieken daar dramatisch. Het pleidooi voor een waterleiding en een riool vindt in dat soort experimenten zijn basis.

Pas in 1854 stelt de Italiaan Pacini de bacterie vast, maar Koch gaat in 1883 met de wetenschappelijke eer strijken (de onderscheiding die hij krijgt wordt ook in de Culemborgse pers vermeld). Door onderzoek van de faeces is de bacterie en dus de ziekte nu eenduidig vast te stellen. Maar ja, dat betekent nog niet dat er een adequate behandeling gevonden werd.

Dus aanvankelijk spreken artsen elkaar tegen en de overheden zijn niet gewend en bereid en in staat om adequaat in te grijpen. Van de noodzaak van isolatie, van de kritieke rol van zuiver water, van de faeces als bron van gevaar heeft men nog geen idee.

De gezondheidszorg is nog lang niet zo georganiseerd als we nu gewend zijn. Pas in 1818 komt een eerste Geneeskundige Staatsregeling tot stand. Via een netwerk van provinciale en lokale commissies verwacht men de kwaliteit van het artsenwerk op hoger nivo te brengen. Maar ja, het is een waakhond zonder tanden. Geleidelijk komt het tot een bevoegdheidsregeling. De betere artsen vinden natuurlijk emplooi door te zorgen voor de rijkere elite. Een nieuwe generatie artsen, de ‘hygiënisten’ richt zich rond 1850 meer op de openbare gezondheidszorg voor allen en zoeken de discussie met de politieke organen. Maar die zijn niet gewend aan een taak op gezondheidsgebied. En bestuurders zijn vooral gerekruteerd uit de hoogste stand met weinig begrip voor de onderklasse. Dus ook het standenverschil belemmert een brede aanpak voor allen.

Alleen de armen krijgen het, hoor.
De gegoede burgerij ziet de ziekte vooral toeslaan bij de armen, dus waar zou je je zorgen om maken? Die armen wonen in krotten dicht op elkaar. Een open riool voert uitwerpselen en slachtafval af naar het open water, dat weer dienst doet als drinkwater. En iedereen weet dat ze zich overgeven aan onmatigheid, aan jenever, aan slecht eten en dat ondermijnt hun gezondheid natuurlijk. Kortom, ze zijn vuil, dom, lomp, onbeschoft, nutteloos en dronken. Filantropie is niet opgewassen tegen de slechte tijden en ook nog zo’n pandemie. Initiatieven als de Maatschappij van Weldadigheid, die o.a. in Frederiksoord een soort heropvoedingskamp inricht, zijn tekenend voor die tijd, voor de standenmaatschappij in de 19e eeuw. Overigens, daar in Veenhuizen wonen in 1848 6.421 mensen, waarvan er 598 ziek worden en 259 overlijden. Ongewoon hoge cijfers. Alles bij elkaar telt men in Nederland tussen 1832 en 1866 65.614 doden.

Cholera in Culemborg
Over de situatie in Culemborg weten we een en ander, doordat sinds 1860 de Culemborgsche Courant verschijnt. In 1884 komt daar een Culemborgsch Nieuws- en Advertentieblad bij, maar dat zal het niet zo lang volhouden.

De cholera komt in Culemborg in golven. Eerst in 1832, daarna in 1848, 1859 en in 1866. In de loop van de eeuw begint men via bevolkingsregisters en medische statistiek bij te houden wat de omvang van de ziekte is. In 1832/33 zijn er landelijk ca 10.000 doden, in 1848 ca 22.000 doden. In het landelijke rapport over 1859 is te lezen dat in Culemborg de ziekte heerste van 10 oktober tot 1 december. Vermoedelijk bracht een machinist op een stoomboot uit Rotterdam de ziekte mee. Van de 5.385 inwoners werden 52 ziek en 27 overleden. Schippers op Lek en Linge zijn vaker bron van besmetting, zeker als hun faeces de rivier weer voor enige tijd onbruikbaar maakt voor drinkwater, de was doen, melkbussen en eetgerei schoonmaken etc.

In 1866 slaat de ziekte hier hard toe. De staatscourant meldt het aantal gevallen per week en de lokale kranten nemen een deel daarvan over. In september 1866 zijn er in Culemborg al 199 mensen ziek en 119 overleden. Overigens krijgt de Utrechtse Courant het advies maar niet teveel over de ziekte te schrijven: dat schaadt de economie maar.

In 1892 wordt Hamburg getroffen door een grote uitbraak, maar die blijft lokaal: het waterleidingbedrijf daar gebruikt onzuiver rivierwater en verspreidt zo de ziekte. Geleidelijk dooft de ziekte hier uit. In 1894 zijn er in Culemborg nog drie gevallen: een landloper overnacht bij een slaapsteehouder in de Zandstraat en wordt ziek. Hij wordt in isolatie in het ziekenhuis opgenomen. Zijn faeces wordt naar Utrecht opgestuurd, de cholera-bacterie vastgesteld. Maar dan overlijdt de vrouw van de slaapsteehouder ook aan cholera, haar man herstelt wel. Inmiddels hebben een vrouw en twee kinderen in dezelfde slaapstee overnacht. Burgemeester en geneesheren laten moeder en kinderen in een leeg huis onder politiebewaking vijf dagen opsluiten, waarmee ze na toezegging van goede voeding en verpleging en van een geldelijke vergoeding bij vertrek instemt. Gelukkig loopt dat goed af.

Georganiseerde zorg
Naast een beter begrip voor de aard van de ziekte en betere cijfers over plaats en omvang, begint men de zorg voor gezondheid beter te regelen. Zo wordt in de tuin van het ziekenhuis aan de Goilberdingenstraat een aparte barak gezet voor deze patiënten, ook al klaagt een raadslid, dat daardoor de prijzen van huizen in de omgeving achteruit gaan. In 1866 wordt eindelijk een gezondheidscommissie geïnstalleerd, maar we lezen over een burgemeester die er niet in wil en twee geneesheren die er weer uit willen. De commissie blijft bestaan en net als in andere steden pleit de commissie voor betere riolering, goed drinkwater en adviseert bepaalde pompen te sluiten, die op de Scherpen Hoek met name. Nee zegt burgemeester Everwijn, waar moet men anders zijn waswater halen? De commissie moet overigens wel zijn eigen budget bij elkaar bedelen.

Lokale maatregelen zijn aanvankelijk gebaseerd op onvoldoende medisch inzicht. Maar men heeft al oog voor vuil, voor mestvaalten, voor bedorven water. Men verbiedt al kermissen, blokkeert de komst van schepen en mensen van elders, zeker als het een bekende besmettingshaard betreft. Rituelen rond huwelijk en begrafenis worden aangepast: geen grote bijeenkomsten meer. De nationale wet op besmettelijke ziekten uit 1872 biedt eindelijk een kader voor het lokale handelen, al staat het de gemeenten vrij dat kader te gebruiken.

Nadere instructies voor het vermijden van verontreinigingen van oppervlaktewater, voor het verwijderen van vuil, voor het besproeien van straten, het vermijden van onrijp fruit etc. staan regelmatig in de krant. Uit de herhaling en het vermelden van boetes blijkt dat niet iedereen zich aan die regels houdt. De gemeenteraad discussieert intussen over pompen, over riolering, maar ziet op tegen de kosten. De invoering van het tonnenstelsel en het aanleggen van een stadsmestvaal in 1872 zijn vernieuwingen die voortkomen uit het groeiende besef dat er wel iets moet gebeuren.

Cholera in de krant
De lokale kranten staan vol van cholera. Ze nemen heel gemakkelijk berichten uit andere kranten over, vaak uit Rotterdam lijkt het. Berichten over uitbraken ver weg en dan weer dichterbij. Over die vrouw of dat meisje, die bijna levend begraven waren. Reclames voor wonderdranken als die van Dr. Bleeker of van de lokale apotheker, over de rol van kaneelolie, hoe goed tabak is als preventief, hoewel men ook cognac kan proberen. En bij al die aanbevelingen staan steeds namen van beroemde artsen ergens ver weg (dr. Tassinari in Rome) die voor de werking garant staan. De hygiënisten proberen daar eigen brochures tegenover te stellen, de kranten drukken (naast de advertenties) vermanende beschouwingen af. Ook de Vereniging tegen kwakzalverij waarschuwt. Maar ja, angst en geruchten en kwakzalverij gaan altijd samen.

Cholera en Corona
In de 19e eeuw heeft men geleidelijk de ware aard en oorzaak van de ziekte leren kennen. Aanvankelijk zijn de maatregelen die men voorstelt nog breed en weinig specifiek. Het gevoel van urgentie, van medeverantwoordelijkheid voor de publieke gezondheid, ook voor de arme medeburger, groeit heel langzaam. Pas als de rol van de bacterie en het water als drager duidelijk zijn, kan men gerichte maatregelen treffen. Maar riolering en waterleiding in een hele stad aanleggen zijn grote projecten. Het liefst kijkt de overheid dan nog naar het particulier initiatief. En die beginnen graag aan het aansluiten van de betere buurten, want die kunnen en willen het betalen.
Ook met Corona zitten we in zo’n leercurve. Het begint ver weg, maar komt snel hier. Ook al is onze immunologische en epidemiologische kennis veel verder gevorderd, toch blijven er verschillen van inzicht, van interpretatie van de cijfers. De overheid neemt nu zonder aarzeling de sturende rol op zich, maar ook nu worden niet alle adviezen opgevolgd. Er zijn altijd wel geleerden die er anders over denken. Ook nu spelen economische en persoonlijke belangen een rol. Waar vroeger de stadspoort dicht ging, zijn nu de grenzen gesloten.

Wat gelijk blijft is de angst voor het onbekende. Mensen zoeken houvast bij rituelen, bij wondermiddelen, aanbevolen zelfs door een president. Ze volgen journaals, thema uitzendingen, struinen internet af, spellen de krant, maar of dat wel helpt? En de voornaamste les is denk ik: deze ziekte is de schaduw van onze gezondheid en die gaat niet weg. Hooguit komt hij onder een andere naam terug.
HS

Om verder te lezen:
Voetnoot 2015-56 C.W. Raven: Culemborg, de stad en het water in de tweede helft van de 19e eeuw,
M. Boshart, De Blauwe Dood, Aspect 2016
P. ’t Hart: De cholera in Utrecht, Walburg Pers, 1990
H. Meijer, Het vuil de stad en de dokter, Uitgeverij De Kler, 2005